Boeken en schulden. Sébastien Chièze en zijn brieven aan Constantijn Huygens

In 1670 stuurde de prins van Oranje, Willem III (1650-1702), de katholieke Sébastien Chièze (1625-1679) naar Madrid om aan te dringen op de afbetaling van de Spaanse schulden aan Oranje waarover bij de Vrede van Munster (1648) een akkoord was bereikt.[1] De Republiek bevond zich tijdens Chièzes gezantschapsreis in het Eerste Stadhouderloze Tijdperk en Willem III had mede hierdoor zeer beperkte financiële middelen. Ook Spanje bevond zich in deze tijd vrijwel constant in een staat van financiële crisis en was dan ook niet snel geneigd tot betaling. Zeker niet omdat Willem III nog tot in het Rampjaar 1672 de facto een gewone inwoner was van de Republiek en dus relatief weinig invloed had op de diplomatieke verhoudingen met het Habsburgse Rijk.

Portret van Willem III, prins van Oranje, Jochem Bormeester 1670-1702, Rijksmuseum

Toen in 1672 de Fransen, Engelsen en de bisdommen Munster en Keulen de Republiek binnenvielen, veranderde de situatie voor Willem III drastisch. De Staten-Generaal benoemden hem tot kapitein-generaal van het Staatse leger en Holland, Zeeland en Utrecht stelden hem aan als stadhouder. In de jaren daarop benoemden ook de overige gewesten de prins tot stadhouder. Daarmee was Willem III voorzien van een ruim inkomen om de kas van de Oranjes te spekken en kon hij veel macht uitoefenen door middel van patronage in het leger en in de gewesten waarvan hij stadhouder was. Als kapitein-generaal van het Staatse leger boekte de prins bovendien al snel successen in de oorlog tegen Frankrijk. Deze machtsverschuiving was ook te merken aan het Spaanse hof, waarvandaan Sébastien Chièze op 21 december 1672 een brief schreef aan Constantijn Huygens naar aanleiding van een audiëntie bij Maria Anna van Oostenrijk (1634-1696), koning-moeder van de Spaanse koning Karel II van Spanje (1661-1700).

Constantijn Huygens

Sébastien Chièze had een goede verstandhouding met Constantijn Huygens. In de eerste helft van de jaren zestig van de zeventiende eeuw was hij als intendant van de domeinen van de prins van Oranje in Orange met Huygens in Parijs om te onderhandelen over de teruggave van het Prinsdom aan de prins van Oranje. Huygens en Chièze schreven elkaar daarna veel en ook hielden ze elkaar op de hoogte over hun persoonlijke leven. Er zijn in totaal 109 brieven uit hun correspondentie bewaard gebleven: 32 brieven van Huygens aan Chièze en 77 van Chièze aan Huygens .

Hoe het ook zij, mijnheer, en hoe moeilijk men het vroeger zou hebben geloofd: de wapens van Zijne Doorluchtige Hoogheid zijn in Madrid geplant, en zijn ambassadeur geniet dezelfde voorrechten als die van andere staatshoofden. Die mensen hier zijn zo gebrand op hun roem en zo jaloers op die van anderen, dat naar het oordeel van de verstandigsten er evenveel reden is zich te verbazen over mijn ontvangst als over de weigering die [vertegenwoordigers van] de hertogen van Savoye en Florence en van de Republiek Genua ten deel viel om te worden toegelaten tot de Kapel.[2]

Zoals hierboven genoemd verliepen de onderhandelingen erg moeizaam. Chièze beklaagt zich regelmatig in zijn correspondentie met Huygens over de Spanjaarden die zich niet aan hun afspraken hielden en over de trage gang van zaken aan het hof.[3] De hoop was dan ook dat nu Willem III zijn woorden kracht bij kon zetten in zijn nieuwe rol van stadhouder en kapitein-generaal de Spanjaarden meer noodzaak zouden zien in het nakomen van de verbintenissen uit de Vrede van Munster.

Chièze was nadrukkelijk geen diplomaat voor de Republiek, maar een persoonlijk envoyé van Willem III. Vandaar ook het intensieve contact tussen Huygens en Chièze. Pas later kwam hij ook in dienst van de Republiek toen hij als extraordinaris envoyé werd belast met de waarneming van de ambassade in Madrid. Deze twee functies zou Chièze tot aan zijn dood in 1679 in Madrid blijven vervullen.

Muziek

Constantijn Huygens en Sébastien Chièze schreven behalve over de zaken aan het Spaanse hof ook nog over andere thema’s. Zo komt uit hun correspondentie Huygens’ interesse voor muziek duidelijk naar voren. In dezelfde brief noemt Chièze bijvoorbeeld in de laatste zin de voortgang van zijn zoektocht naar De musicâ libri septem van Francisco Salinas[4], die Huygens in een brief van 14 januari 1672 bij hem had besteld. Huygens bestelde vaak kostbare en zeldzame exemplaren die niet verkrijgbaar waren in de Republiek. De aankoop was dan ook geen gemakkelijke opgave, maar Chièze gaf niet zomaar op en concludeerde zijn brief met de volgende woorden: ’Omdat ik de naam en hoedanigheden van [Francisco] Salinas ken, zal ik het boek vinden, of het is in het geheel niet in Spanje.’[5]

De zoektocht naar het boek van Salinas verliep gelukkig voorspoediger dan de afbetaling van de Spaanse schulden. Op 4 januari 1673 schreef Chièze enthousiast aan Huygens een exemplaar te hebben bemachtigd, maar de afbetaling van de schulden van de Spaanse koning aan Oranje wist Chièze, ondanks de machtsverschuivingen van 1672, tot aan zijn dood in september 1679 niet gedaan te krijgen.

Jeffrey Oostra, 17 maart 2021


[1] O. Schutte, Repertorium der buitenlandse vertegenwoordigers, residerende in Nederland 1584-1810 (’s-Gravenhage 1983) 392.

[2] Vertaling door Rudolf Rasch.

[3] Zie bijvoorbeeld de brief van 18 februari 1671: http://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens/brief/nr/6786.

[4] Francisco Salinas, De musicâ libri semptum (Salamanca 1577). Boek en afbeelding titelpagina zijn beschikbaar via Biblioteca digital Hispanica: http://bdh.bne.es/bnesearch/CompleteSearch.do;jsessionid=C900C23F6B6610E4525CEDEECF80FE8D?languageView=es&field=todos&text=De+musica+libri+septem&showYearItems=&exact=on&textH=&advanced=false&completeText=&pageSize=1&pageSizeAbrv=30&pageNumber=3

[5] Vertaling door Rudolf Rasch.

Constantijn Huygens en de bibliotheek van Van Aerssen van Sommelsdijck

Uit een recent ontdekte brief van Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck sr. (1602-1662) aan Constantijn Huygens leren we Huygens kennen als bibliofiel. Dankzij deze brief en een puntdichtje van Huygens is tevens een beschrijving van de uitzonderlijk kostbare bibliotheek van de familie Van Aerssen aan het licht gekomen. De brief wordt bewaard in de Universitaire Collecties van de Universiteit van Leiden, is niet opgenomen in de uitgave van Huygens’ Briefwisseling door J.A. Worp, maar is nu uiteraard wel te vinden in onze database. Het puntdichtje komt later in dit blog ter sprake.

Huygens bibliofiel te Parijs

2. Adriaen Hanneman, Portret van Cornelis van Aerssen van Sommelsdijk. 1658. Olieverf op doek. Amsterdam, Rijksmuseum, SK-A-1670.

Op 10 november 1661 ontvangt Huygens, die in die tijd in Frankrijk onderhandelt over de teruggave van het prinsdom Orange, te Fontainebleau een brief uit Den Haag, gedateerd 3 november 1661, van Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck met het verzoek voor hem een aantal boeken te kopen. Zijn wensen omschrijft hij in een bijgevoegd ‘Mémoire’: [afb. 1a +1b]

Mémoire des livres pour le Sr. de Sommelsdijck

[1] Plutarque in folio en quatre volumes de la plus nouvelle edition, et du plus beau et grande papier, relié en veau, et doré au dos à petite fers.

[2] La vie du Cardinal de Rechelieu en trois volumes in folio aussi du plus beau papier, et relié de mesme que dessus.

[3] Appian Alexandrin de la meilleure traduction et edition, relié de mesme.

[4] Les memoires du president Jannin in folio, du plus beau papier, relie de mesme.

[5] L’histoire de la vie de Henry quatrieme de la plus grande edition, relie de mesme par l’Evesque de Rodhes.

[6] Le Testament ou fidelles conseils d’un père à ses Enfans par le Sr. de la Hauguette, de la plus grande edition relié de mesme.

Cornelis [afb. 2] is de oudste zoon van François van Aerssen (1573 -1641), ambassadeur in dienst van de Republiek. François van Aerssen laat in 1613 aan het Lange Voorhout 7 in Den Haag een fraai stadspaleis bouwen, waar in 1614 de familie Huygens naast komt wonen. De beide families worden goede buren. Constantijn Huygens en Cornelis van Aerssen kennen elkaar dus al van jongs af aan. Ze blijven als vrienden contact houden; hun correspondentie die loopt van 1622 tot aan Aerssens overlijden in 1662, omvat 33 brieven (6 van en 27 aan Huygens).

Ook na november 1661 schrijven ze elkaar over boeken. Zo legt Van Aerssen op 28 december 1661 nogmaals uit dat hij graag ‘la vie et mémoires du feu cardinal Rischellieu’ en ook de ‘mémoires du président Janin’ op groot papier heeft en dat hij dat al tweemaal heeft gelezen. Hij bezit ze graag omwille van de ‘curiosité du grand papier’. Als geheugensteuntje is een exemplaar ‘du petit papier’ voldoende. Dat geldt ook voor ‘l’histoire de Henry le Grand’ dat wel in een octavo gekocht mag worden, in afwachting van een druk in kwarto.[2] Op 18 januari 1662 vertrouwt hij Huygens toe dat hij het groot formaat papier en het mooie lettertype niet alleen om de zeldzaamheid verlangt, maar dat hij daarmee ook geld bespaart om te kunnen blijven lezen.[3] Op 22 februari 1662 vraagt hij Huygens ook nog om ‘l’Hystoire de Thou au grand papier et bien reliée’ [7] en een goede vertaling in het Frans van Xenofon aan het lijstje toe te voegen.[4]

Huygens is inderdaad op zoek gegaan naar de gevraagde boeken. Hij noteert namelijk een schatting van de prijzen in de marge van het ‘Mémoire’: bij [1]:  84-100 fr, bij [2]:  45 – 50 fr, bij [3]:  8 – 10 fr, bij [4]: 10 – 12 fr, bij [5] :11 – 12fr en bij [6]: 4.10 – 5 fr.

Huygens’ puntdichtje over de verkoop van een bibliotheek

Ruim twintig jaar nadat Huygens deze boeken voor Cornelis van Aerssen had gekocht, schrijft hij in een brief van 18 mei 1682 aan Don Emmanuel de Lira, tussen 1671-1679 extraordinaris envoyé van Spanje in Den Haag[5] en inmiddels met Constantijn Huygens bevriend, dat hij van een grappige uitspraak van Hedwig Agnes van Brederode (1643-1684), een goede bekende van hen beiden, een gedichtje heeft gemaakt:

                        Claes heeft een kostlyck wijf, en kostelyke Boecken,

                        Daerin hy en syn wijf pas even veel verstaen.

                        Tot dat wijfs onderhout moet Claes financie soeken;

                        En daerom houdt voor eerst de schoone Boeck-Cass aen.

                        Wat is daeraen misdaen, wat valter op te spotten:

                        Al soo wel eet het wijf de boecken als de Motten. [6]

Vrij vertaald luidt dit versje:

                        Klaas heeft een dure vrouw en dure boeken,

                        waar hij en zijn vrouw nauwelijks iets van begrijpen.

                        Om zijn vrouw te onderhouden heeft Klaas geld nodig

                        en daarom spreekt hij voor het eerst de mooie boekenkast aan.

                        Wat is daar mis mee? Wat valt er mee te spotten?

                        De vrouw eet zo net zo goed de boeken, als de motten.

Huygens anonimiseert zijn puntdicht en noemt de boekenverkoper ‘Claes’, maar boven een handschrift van dit gedichtje schrijft hij eigenhandig: ‘Op tsujet van H. van Posthoeck zijn Bibliotheeck vercoopende in maart 1682’.[7] Het bon mot van Hedwig Agnes slaat op François Zoete de Lake van Villers (1636-1689), heer van Potshoeck.

François Zoete de Lake trouwde op 27 oktober 1678 met Henriette van Aerssen van Sommelsdijck (1647-?), achtste dochter van Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck en Lucia van Walta (1610 – 18 juni 1674), vrouwe van Villers. Het huwelijk werd ‘sans aucune ceremonie’ in Rijswijk voltrokken, schrijft Constantijns dochter Susanna Huygens aan haar broer Christiaan op 10 november 1678.[8] Zij vertelt hem dat het paar daarna bij ‘Monsieur De Lira, Ambassadeur D’Espagne’ had gesoupeerd zonder te vertellen dat ze pas getrouwd waren. Pas bij het weggaan zei de dame dat ze bleef slapen bij de heer van Polsbroeck. Susanna houdt haar broer aldus op de hoogte van de laatste nieuwtjes uit Den Haag.

Huygens en De Lira kennen de jonggehuwden dus. In zijn brief verontschuldigt Huygens zich dat hij niemand heeft willen beledigen, maar zijn puntdicht alleen heeft bedoeld als een sausje over het gerecht van Hedwig Agnes. Intussen noemt hij in zijn brief de heer van Potshoek wel een ‘clerigo de pocas letras’ (een weinig geletterde klerk), die voor zijn huwelijk een bibliotheek heeft weten bijeen te brengen die even fraai als talrijk is. De verkoop is, volgens Huygens, een uitzonderlijke gebeurtenis waarover iedereen praat.[9]

De bibliotheek

Hoewel dus veelbesproken in 1682, heeft de bibliotheek van de heer van Potshoeck tot nu toe geen aandacht gekregen.[10] De auctiecatalogus is in drie exemplaren bewaard gebleven en gelukkig beschikbaar via het project Book Sales Catalogues of the Dutch Republic 1599-1800.[11] De collectie werd onder de hamer gebracht door Johannis Steucker in de Groote Zaal te Den Haag op 2 maart 1682. De veilingcatalogus is ingedeeld naar formaat. In folio zijn er 611 kavels, in kwarto 811, in octavo 1027 en in duodecimo 909. Aan het einde van de catalogus worden nog ongebonden boeken aangeboden (18 in folio, 41 in kwarto, 38 in octavo en 15 in duodecimo). Het gaat dus om een bibliotheek van tenminste 3.560 kavels. Veilingmeester Steucker is zich bewust van de uitzonderlijke kwaliteit van de collectie want op de titelpagina [afb. 3] voegt hij aan de hoofdtitel toe: ‘Quorum omnes in Folio, in dorso sunt deaurati et plurimi Gallico Modo, hoc est in een Franschen Bandt, compacti’. Dat wil zeggen: ‘waarvan alle boeken in folio, op de rug zijn verguld en de meeste op Franse wijze, dat is ‘in een Franschen Bandt’, zijn gebonden’.

3. Titelpagina van de veilingcatalogus van de bibliotheek van Franciscus Zoete de Laeke de Villers, heer van Potshoeck. (Den Haag: Ex Officina Iohannis Steucker, 1684). Parijs, Bibliothèque nationale, delta 20166.

Het moet een fraaie bibliotheek zijn geweest, vol prachtige banden en mooi gedrukte werken op groot papier. Ze bevat twee middeleeuwse handschriften: Der naturen Bloeme van Van Maerlant (folio, nr. 502) en een Histoire de France afkomstig uit het Cabinet du Duc de Montmorency (folio, nr. 71),[12] zes incunabelen (folio, nr. 40, 533, 579, 587, 590 en 602), atlassen, historische werken van Bor, Van Meteren, Hooft, de beroemde ingekleurde wapenboeken van De Gheyn en Van Breen, letterkundige werken van Van der Noot, Bredero, Krul, Vondel, Hooft en Huygens, allerlei bijbels waaronder De grooten Figuur-Bijbel van Scabaelje en zijn Emblemata sacra. En onder de libri in duodecimo bevinden zich maar liefst 50 Republiekjes van Elsevier (nr. 777 – 827).[13]

De bibliotheek van de heer van Potshoeck is die van Van Aerssen

Tot mijn verrassing zijn de boeken die Huygens voor Cornelis van Aerssen te Parijs heeft gekocht in bijna identieke beschrijvingen terug te vinden in de catalogus van de veiling Posthoeck: Plutarque (hierboven geciteerd als titel [1]) is te vinden bij de Libri in folio nr. 38, titel [2] Appian is nr.70, titel [3] Richelieu is nr. 55, titel [4] Jeannin is nr. 148, titel [5] Henri le Grand is bij de Libri in quarto nr. 39, titel [6] het Testament van Hoguette is bij de Libri in duodecimo nr. 490. Ook de door Cornelis van Aerssen in zijn brief van 22 februari 1662 genoemde titel van De Thou [7] is terug te vinden. Het is nr. 65 bij de Libri in folio.

De bibliotheek die de heer van Potshoeck in 1682 te gelde maakt, is dus de bibliotheek van Van Aerssen. Ze is hem door zijn huwelijk met Henriette van Aerssen in handen gevallen. Op grond van de inhoud is het aannemelijk dat reeds ambassadeur François van Aerssen aan de verzameling heeft bijgedragen. Zijn zoon Cornelis heeft de bibliotheek met fraaie exemplaren uitgebreid. Dat is ook gebeurd na diens dood in 1662 door zijn weduwe Lucia van Walta. Blijkens hun gezamenlijk testament bleef zij na de dood van haar man in het bezit van al hun goederen.[14] Zij heeft waarschijnlijk van Constantijn Huygens zijn Korenbloemen (Amsterdam, 1672) cadeau gekregen. Dit boek staat vermeld bij de boeken in kwarto als nr. 2 ‘Seer curieus. Fransche band, Groot Papier’. Dankzij de correspondentie en een gedichtje van Huygens is Cornelis van Aerssen nu bekend als een groot bibliofiel. Zijn grote en kostbare bibliotheek ligt open voor onderzoek.[15]

Ad Leerintveld, 15 november 2020


[1] Kees Zandvliet, De 500 rijksten van de Republiek. Rijkdom, geloof, macht & cultuur. (Zutphen: Walburg Pers 2018), p. 155.

[2] Huygens Briefwisseling, brief nr. 5733.

[3] Idem, nr. 5752. ‘Je ne plais point mon argent pour so[u]lager ma vue, car le grand papier et le bau caracterre qui je demande n’est pas tant par curiosité que pour cet effet.’

[4] Idem, nr. 5766.

[5] O. Schutte, Repertorium der buitenlandse vertegenwoordigers residerende in Nederland 1548-1810. (Den Haag: Nijhoff, 1983), p. 584, nr. 561: Don Manuel Francisco de Lira y Castillo.

[6] Briefwisseling Huygens, nr.7186, Deels uitgegeven door R.J. Fruin in Overblyfsels van geheuchenis […] van den heere Coenraet Droste. Aanteekeningen. (Leiden: Brill, 1879), pp. 513-515. Het gedichtje is ook opgenomen in J. A. Worp, De gedichten van Constantijn Huygens naar zijn handschrift uitgegeven. Deel VIII, (Groningen: Wolters, 1898), p. 295.

[7] KB, hs. KW 78 C 70/1.

[8] Briefwisseling Christiaan Huygens, brief 2147. Huwelijksakte in Den Haag, Nationaal Archief (NA), Collectie Van Aerssen, toegang 1.10.01, inventarisnummer 71.

[9] Zie noot 6 : ‘chose peu ordinaire, qui ayant ouvert la bouche à tout le monde’.

[10] De bibliotheek wordt niet genoemd in: H.W. de Kooker & B. van Selm, Boekcultuur in de Lage Landen, 1500-1800. (Utrecht: HES, 1993).

[11] https://primarysources.brillonline.com/browse/book-sales-catalogues-online.IDC-cat. Nr. 1781, mf. 2990-2991. Origineel: Parijs, Bibliothèque nationale, delta 20166.

[12] Het handschrift Van Maerlant berust thans in de UB Leiden (BPL 14 A). Tot op heden was als vroegste eigenaar ervan bekend Isaac le Long (1683-1762). Zie: Ria Jansen-Sieben, De natuurkunde van het geheelal. Een 13de-eeuws Middelnederlands leerdicht. (Brussel: Paleis der Academiën, 1968), pp. 104-109. De geschiedenis van Frankrijk is mogelijk: Jean Mansel, Fleur des histoires, dat in de 16de eeuw toebehoorde aan een Montmorency. Zie: Hanno Wijsman, Handschriften voor het hertogdom. De mooiste verluchte manuscripten van Brabantse hertogen, edellieden, kloosterlingen en stedelingen. (Alphen aan de Maas: Veerhuis, 2006), p. 74-81. Met dank aan Ed van der Vlist.

[13] Vergelijk: J.A. Gruys, ‘De reeks ‘Republieken’van de Elzeviers en Joannes de Laet, in: B.P.M.Dongelmans, P.G. Hoftijzer en O.S. Lankhorst (red.). Boekverkopers van Europa. Het 17de-eeuwse Nederlandse uitgevershuis Elzevier. (Zutphen, Walburg Pers, 2000), pp. 77-106, met name p. 79.

[14] NA, Collectie Van Aerssen, toegang 1.10.01, inventarisnummer 50.

[15] Dit blog is een lichtelijk bewerkte versie van mijn artikel ‘Constantijn Huygens en de bibliotheek van Van Aerssen van Sommelsdijck’ in: Wim van Anrooij e.a. (red.), Om het boek. Cultuurhistorische bespiegelingen over boeken en mensen. (Hilversum, Verloren 2020), [Huldebundel aangeboden aan prof. dr. Paul Hoftijzer bij zijn emeritaat als hoogleraar Boekwetenschap te Leiden], p. 281-286.

Nummer 3 in de Huygens top 10: Béatrix de Cusance

Top 10 van vrouwelijke correspondenten van Constantijn Huygens

Dat Constantijn het goed kon vinden met vrouwen is algemeen bekend. Hij correspondeerde ook veel met ze: er zijn in totaal 1.730 brieven bewaard van of aan 194 verschillende vrouwen.

Met Amalia van Solms (1602-1675), de echtgenote van zijn werkgever Frederik Hendrik (1584-1647), heeft Constantijn de meeste brieven zijn uitgewisseld, namelijk 1.018: 184 van Amalia aan Constantijn en 834 van Constantijn aan Amalia. Zolang de Tachtigjarige Oorlog woedde, was Constantijn ieder jaar met het leger op veldtocht. Hij hield hij haar via brieven op de hoogte van de vorderingen van het leger, maar ook over het welzijn van haar echtgenoot. Zie daarover ook het blog over vijftig onbekende brieven van Huygens aan Amalia. Na het overlijden van Frederik Hendrik zakte hun correspondentie in, met een opleving vlak na het overlijden van haar zoon, stadhouder Willem II, en met een nieuwe piek in de jaren ’60, toen Constantijn voor de Oranje-Nassaus in Frankrijk verbleef om, met succes, te onderhandelen over de teruggave van het Prinsdom Orange. Toen was Amalia overigens degene die het meeste schreef.

Nummer twee in de top tien is Constantijn’s moeder, Susanna Hoefnagel. Constantijn en Susanna schreven veel met elkaar toen Constantijn op gezantschapsreis was in Engeland. Lees daarover het blog Moeders Journael van Roosje Peeters.

Béatrix de Cusance

Château Belvoir in de Franche-Comté; Béatrix de Cusance, door Anthony van Dyck, 1634 en Constantijn Huygens, door Michiel van Miereveld, 1645, Huygens’ Hofwijck

Nummer drie in Constantijns top tien is Béatrix de Cusance (1614-1663), hertogin van Lotharingen. Over haar relatie met Constantijn Huygens zal de rest van dit blog gaan. Béatrix werd in 1614 geboren op kasteel Belvoir in de Franche-Comté. Zij groeide op aan het Brusselse hof van Infante Isabella en trouwde daar in 1635 met de Eugène-Léopold, prins van Cantecroy, die echter al twee jaar later kwam te overlijden. Tien dagen later tekende Béatrix een huwelijkscontract met condottiere Karel IV hertog van Lotharingen, met wie zij voor haar huwelijk al een affaire had gehad. De hertog was echter al getrouwd met zijn nicht Nicole. Om die reden werden Béatrix en Karel door de Paus gedwongen gescheiden van elkaar te leven. Ze zouden drie kinderen krijgen, waarvan er één jong overleed. In de periode 1640 tot 1662 onderhield Béatrix op haar bezittingen in de Zuidelijke Nederlanden culturele contacten met vooraanstaande personen zoals Engelse royalistische ballingen. Ook Constantijn Huygens behoorde tot haar intimi. Na de dood van Karels echtgenote Nicole in 1657 probeerde Béatrix tevergeefs haar huwelijk met de hertog te hernieuwen. Pas op haar sterfbed in 1663 kwam het tot het door haar zo vurig gewenste wettige huwelijk.

‘Ducissae Lotharinghiae in domo Duartia innotesco, cum me visum venisset!’ Dat wil zoveel zeggen als: ‘Ik maakte persoonlijk kennis met de hertogin van Lotharingen in het huis van Duarte, aangezien ze was gekomen om mij te zien!’ Dat noteerde Constantijn Huygens op 15 juli 1652 in zijn dagboek.[1] Toen Constantijn en Béatrix elkaar die dag bij de familie Duarte in Antwerpen ontmoetten, was hij 55 jaar oud en zij 37 jaar. Deze gebeurtenis zou het begin inluiden van een vriendschap, waarmee ook een intensieve uitwisseling van brieven, geschenken en diensten op gang kwam.[2] Constantijns muzikale verdiensten zijn het sociale bindmiddel geweest in zijn relatie met Béatrix. Hij wees haar er in zijn eerste brief al op dat hij haar niet alleen wilde vereren met schilderijen, gedichten en reukwaren, maar ook met de akkoorden van zijn luit, viola da gamba en klavecimbel. In tachtig procent van de brieven, zowel in die van Béatrix als in die van Constantijn, komt muziek op de een of andere manier voor.

Het eerste dat opvalt in de oude gedrukte editie bewerkt door J.A. Worp, is dat de editeur de correspondentie tussen Constantijn en Béatrix nauwelijks aandacht heeft gegeven. Worp heeft van Béatrix’ brieven aan Constantijn veertig procent in het geheel niet opgenomen en van de rest slechts een korte samenvatting gegeven. In de voetnoten motiveert Worp zijn weglatingen met kwalificaties als ‘zonder eenig belang’, ‘zonder betekenis’, en ‘is geheel onbelangrijk’. Het is mogelijk dat hij wilde verhullen dat er iets speciaals tussen Constantijn en Béatrix aan de hand was, uit vrees dat aandacht voor een dergelijke relatie afbreuk zou doen aan de goede naam van Constantijn Huygens. Het is echter aannemelijker dat Worp deze correspondentie werkelijk van ondergeschikt belang achtte en van mening was dat de briefwisseling niet aan zijn maatstaven voldeed. Tegenwoordig denken we daar in ieder geval anders over: de brieven bevatten interessante thema’s over politiek, kunst, religie, mentaliteit, internationale netwerken, en vriendschaps-, hof-, muziek-, verzamel- en briefcultuur.

Van Constantijns brieven aan Béatrix zijn 23 concepten bewaard gebleven. Het werkelijke aantal brieven dat hij haar schreef is op basis van een inhoudelijke reconstructie op meer dan veertig bepaald. Daaruit blijkt dat 17 van Constantijns brieven uit de periode 1657-1660 ontbreken. Daarom geeft de grafiek hierboven een enigszins vertekend beeld. Wellicht vond Constantijn de inhoud van de brieven ongeschikt voor andermans ogen en zijn ze vernietigd. Van Béatrix’ brieven aan Constantijn ontbreken vermoedelijk vier brieven, terwijl 45 brieven bewaard zijn gebleven. De eerste vijf brieven werden door haar secretaris geschreven en door Béatrix ondertekend. Daarna schreef ze al haar brieven aan Constantijn eigenhandig, wat als een teken van vertrouwelijkheid kan worden beschouwd.

Portret

In 1652 stelde Constantijn Béatrix in Den Haag voor aan Amalia von Solms en Mary Stuart. Vervolgens liet Béatrix zich in Utrecht op verzoek van Amalia door Gerard van Honthorst portretteren en de dames wisselden elkaars portretten uit. Ook had Béatrix haar portret aan Constantijn beloofd. Dat liet nogal op zich wachten, maar dat kwam, zo schreef Béatrix, omdat de schilder, Justus van Egmont, ziek was. Constantijn wijdde er twee gedichten en enkele ‘verontwaardigde’ brieven aan. In mei 1656 componeerde hij zelfs een gedicht getiteld Songe. À Madame la Duchesse de Lorraine, tardant de me donner son portraict, waarin hij opnieuw tot uitdrukking bracht hoezeer het hem frustreerde dat hij zo lang op Béatrix’ portret moest wachten. In het gedicht beschrijft hij een droom waarin hij niet alleen naar haar portret verlangt, maar ook naar Béatrix zelf. De laatste regels zijn verrassend. Hij droomt hoe het zal zijn als hij haar portret boven zijn bed heeft hangen. Hij gaat nog verder, want hij zegt dat hij haar portret eigenlijk niet meer nodig heeft. Hij is immers in staat om te dromen dat hij Béatrix zelf in zijn bed heeft liggen. Het is een treffend voorbeeld van de dichterlijke dubbelzinnigheid die in de zeventiende eeuw populair was en die veel suggereert maar niet letterlijk hoefde te worden opgevat. Het was aan de lezer zelf om haar te interpreteren.

Béatrix de Cusance, door Justus van Egmont, ca. 1655, Wikimedia Commons

Constantijn ontving Béatrix’ portret uiteindelijk in september 1657. In datzelfde jaar zou zij haar portret, ook vervaardigd door Justus van Egmont, naar hertog Karel in Spanje sturen, die daar gevangen gehouden werd. Vermoedelijk heeft Constantijn een andere versie van dit hierboven afgebeelde schilderij ontvangen. In de verkoopcatalogus van de kunstcollectie van Constantijns dochter Susanna komt inderdaad een portret van de hertogin van Lotharingen voor, de naam van de schilder wordt er echter niet bij vermeld.[3] Als dankzegging voor de ontvangst schreef Constantijn een gedicht getiteld Sur le portrait de la duchesse de Lorraine.

Eind 1659, begin 1660 kwam er een kentering in de vriendschap en liepen hun gevoelens niet langer synchroon. Ineens was het Béatrix die om Constantijns aandacht moest vragen. Uiteindelijk is het contact een half jaar voor haar overlijden in 1663 verbroken. Béatrix’ echtgenoot, de hertog van Lotharingen, was na zijn vrijlating in 1659 niet meer van plan zich met haar te herenigen en stuurde haar weg uit de Zuidelijke Nederlanden naar Besançon. Ineens was zij geen middelpunt meer van de Antwerpse en Brusselse elite. Het is goed voorstelbaar dat Béatrix in haar sociaal en persoonlijk isolement werkelijk behoefte heeft gehad aan de troostende woorden van Constantijn waarop ze eerder altijd wel had kunnen rekenen. Maar Constantijn had hier geen belang meer bij. Voor hem was haar rol uitgespeeld. Veelzeggend is ook Constantijns poging zijn brieven aan Béatrix terug te halen. Op het eerste gezicht lijkt het idyllisch, Constantijn die in Besançon het graf en de sterfplaats van Béatrix bezoekt. In werkelijkheid was zijn reis vermoedelijk ingegeven door de wens alle belastende sporen (roddels, toezeggingen etc.) van hun vriendschap uit te wissen door zijn originele brieven aan haar te vernietigen. Dit verklaart ook waarom Huygens’ nalatenschap van de afschriften van zijn eigen brieven aan Béatrix incompleet is, hij heeft alleen bewaard wat geschikt was voor andere ogen.

In 2010 keerde het geconserveerde hart van Béatrix terug naar Huygens’ Hofwijck, de plaats waar het ooit levend had geklopt, om te pronken op een tentoonstelling over Vrouwen rondom Huygens. Toenmalig directrice Belle van den Berg en onderzoeker Ineke Huysman gingen naar Béatrix’ kasteel Belvoir in de Franche-Comté om haar hart op te halen en daarover is een filmpje gemaakt:

Ineke Huysman (met dank aan Geeske Bisschop), 17 mei 2020


[1] J.H.W. Unger, Dagboek van Constantijn Huygens (Amsterdam 1885) 54.

[2]Zie ook: Béatrix en Constantijn. De briefwisseling tussen Béatrix de Cusance en Constantijn Huygens, Ineke Huysman en Rudolf Rasch (eds.) (Amsterdam 2009).

[3] Inge Broekman, Constantijn Huygens, de kunst en het hof, 98, daarin: SDH (1725), nr. 141: ‘Hertogin van Lotteringen, knie[-]stuk.