Constantijn Huygens en de bibliotheek van Van Aerssen van Sommelsdijck

Uit een recent ontdekte brief van Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck sr. (1602-1662) aan Constantijn Huygens leren we Huygens kennen als bibliofiel. Dankzij deze brief en een puntdichtje van Huygens is tevens een beschrijving van de uitzonderlijk kostbare bibliotheek van de familie Van Aerssen aan het licht gekomen. De brief wordt bewaard in de Universitaire Collecties van de Universiteit van Leiden, is niet opgenomen in de uitgave van Huygens’ Briefwisseling door J.A. Worp, maar is nu uiteraard wel te vinden in onze database. Het puntdichtje komt later in dit blog ter sprake.

Huygens bibliofiel te Parijs

2. Adriaen Hanneman, Portret van Cornelis van Aerssen van Sommelsdijk. 1658. Olieverf op doek. Amsterdam, Rijksmuseum, SK-A-1670.

Op 10 november 1661 ontvangt Huygens, die in die tijd in Frankrijk onderhandelt over de teruggave van het prinsdom Orange, te Fontainebleau een brief uit Den Haag, gedateerd 3 november 1661, van Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck met het verzoek voor hem een aantal boeken te kopen. Zijn wensen omschrijft hij in een bijgevoegd ‘Mémoire’: [afb. 1a +1b]

Mémoire des livres pour le Sr. de Sommelsdijck

[1] Plutarque in folio en quatre volumes de la plus nouvelle edition, et du plus beau et grande papier, relié en veau, et doré au dos à petite fers.

[2] La vie du Cardinal de Rechelieu en trois volumes in folio aussi du plus beau papier, et relié de mesme que dessus.

[3] Appian Alexandrin de la meilleure traduction et edition, relié de mesme.

[4] Les memoires du president Jannin in folio, du plus beau papier, relie de mesme.

[5] L’histoire de la vie de Henry quatrieme de la plus grande edition, relie de mesme par l’Evesque de Rodhes.

[6] Le Testament ou fidelles conseils d’un père à ses Enfans par le Sr. de la Hauguette, de la plus grande edition relié de mesme.

Cornelis [afb. 2] is de oudste zoon van François van Aerssen (1573 -1641), ambassadeur in dienst van de Republiek. François van Aerssen laat in 1613 aan het Lange Voorhout 7 in Den Haag een fraai stadspaleis bouwen, waar in 1614 de familie Huygens naast komt wonen. De beide families worden goede buren. Constantijn Huygens en Cornelis van Aerssen kennen elkaar dus al van jongs af aan. Ze blijven als vrienden contact houden; hun correspondentie die loopt van 1622 tot aan Aerssens overlijden in 1662, omvat 33 brieven (6 van en 27 aan Huygens).

Ook na november 1661 schrijven ze elkaar over boeken. Zo legt Van Aerssen op 28 december 1661 nogmaals uit dat hij graag ‘la vie et mémoires du feu cardinal Rischellieu’ en ook de ‘mémoires du président Janin’ op groot papier heeft en dat hij dat al tweemaal heeft gelezen. Hij bezit ze graag omwille van de ‘curiosité du grand papier’. Als geheugensteuntje is een exemplaar ‘du petit papier’ voldoende. Dat geldt ook voor ‘l’histoire de Henry le Grand’ dat wel in een octavo gekocht mag worden, in afwachting van een druk in kwarto.[2] Op 18 januari 1662 vertrouwt hij Huygens toe dat hij het groot formaat papier en het mooie lettertype niet alleen om de zeldzaamheid verlangt, maar dat hij daarmee ook geld bespaart om te kunnen blijven lezen.[3] Op 22 februari 1662 vraagt hij Huygens ook nog om ‘l’Hystoire de Thou au grand papier et bien reliée’ [7] en een goede vertaling in het Frans van Xenofon aan het lijstje toe te voegen.[4]

Huygens is inderdaad op zoek gegaan naar de gevraagde boeken. Hij noteert namelijk een schatting van de prijzen in de marge van het ‘Mémoire’: bij [1]:  84-100 fr, bij [2]:  45 – 50 fr, bij [3]:  8 – 10 fr, bij [4]: 10 – 12 fr, bij [5] :11 – 12fr en bij [6]: 4.10 – 5 fr.

Huygens’ puntdichtje over de verkoop van een bibliotheek

Ruim twintig jaar nadat Huygens deze boeken voor Cornelis van Aerssen had gekocht, schrijft hij in een brief van 18 mei 1682 aan Don Emmanuel de Lira, tussen 1671-1679 extraordinaris envoyé van Spanje in Den Haag[5] en inmiddels met Constantijn Huygens bevriend, dat hij van een grappige uitspraak van Hedwig Agnes van Brederode (1643-1684), een goede bekende van hen beiden, een gedichtje heeft gemaakt:

                        Claes heeft een kostlyck wijf, en kostelyke Boecken,

                        Daerin hy en syn wijf pas even veel verstaen.

                        Tot dat wijfs onderhout moet Claes financie soeken;

                        En daerom houdt voor eerst de schoone Boeck-Cass aen.

                        Wat is daeraen misdaen, wat valter op te spotten:

                        Al soo wel eet het wijf de boecken als de Motten. [6]

Vrij vertaald luidt dit versje:

                        Klaas heeft een dure vrouw en dure boeken,

                        waar hij en zijn vrouw nauwelijks iets van begrijpen.

                        Om zijn vrouw te onderhouden heeft Klaas geld nodig

                        en daarom spreekt hij voor het eerst de mooie boekenkast aan.

                        Wat is daar mis mee? Wat valt er mee te spotten?

                        De vrouw eet zo net zo goed de boeken, als de motten.

Huygens anonimiseert zijn puntdicht en noemt de boekenverkoper ‘Claes’, maar boven een handschrift van dit gedichtje schrijft hij eigenhandig: ‘Op tsujet van H. van Posthoeck zijn Bibliotheeck vercoopende in maart 1682’.[7] Het bon mot van Hedwig Agnes slaat op François Zoete de Lake van Villers (1636-1689), heer van Potshoeck.

François Zoete de Lake trouwde op 27 oktober 1678 met Henriette van Aerssen van Sommelsdijck (1647-?), achtste dochter van Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck en Lucia van Walta (1610 – 18 juni 1674), vrouwe van Villers. Het huwelijk werd ‘sans aucune ceremonie’ in Rijswijk voltrokken, schrijft Constantijns dochter Susanna Huygens aan haar broer Christiaan op 10 november 1678.[8] Zij vertelt hem dat het paar daarna bij ‘Monsieur De Lira, Ambassadeur D’Espagne’ had gesoupeerd zonder te vertellen dat ze pas getrouwd waren. Pas bij het weggaan zei de dame dat ze bleef slapen bij de heer van Polsbroeck. Susanna houdt haar broer aldus op de hoogte van de laatste nieuwtjes uit Den Haag.

Huygens en De Lira kennen de jonggehuwden dus. In zijn brief verontschuldigt Huygens zich dat hij niemand heeft willen beledigen, maar zijn puntdicht alleen heeft bedoeld als een sausje over het gerecht van Hedwig Agnes. Intussen noemt hij in zijn brief de heer van Potshoek wel een ‘clerigo de pocas letras’ (een weinig geletterde klerk), die voor zijn huwelijk een bibliotheek heeft weten bijeen te brengen die even fraai als talrijk is. De verkoop is, volgens Huygens, een uitzonderlijke gebeurtenis waarover iedereen praat.[9]

De bibliotheek

Hoewel dus veelbesproken in 1682, heeft de bibliotheek van de heer van Potshoeck tot nu toe geen aandacht gekregen.[10] De auctiecatalogus is in drie exemplaren bewaard gebleven en gelukkig beschikbaar via het project Book Sales Catalogues of the Dutch Republic 1599-1800.[11] De collectie werd onder de hamer gebracht door Johannis Steucker in de Groote Zaal te Den Haag op 2 maart 1682. De veilingcatalogus is ingedeeld naar formaat. In folio zijn er 611 kavels, in kwarto 811, in octavo 1027 en in duodecimo 909. Aan het einde van de catalogus worden nog ongebonden boeken aangeboden (18 in folio, 41 in kwarto, 38 in octavo en 15 in duodecimo). Het gaat dus om een bibliotheek van tenminste 3.560 kavels. Veilingmeester Steucker is zich bewust van de uitzonderlijke kwaliteit van de collectie want op de titelpagina [afb. 3] voegt hij aan de hoofdtitel toe: ‘Quorum omnes in Folio, in dorso sunt deaurati et plurimi Gallico Modo, hoc est in een Franschen Bandt, compacti’. Dat wil zeggen: ‘waarvan alle boeken in folio, op de rug zijn verguld en de meeste op Franse wijze, dat is ‘in een Franschen Bandt’, zijn gebonden’.

3. Titelpagina van de veilingcatalogus van de bibliotheek van Franciscus Zoete de Laeke de Villers, heer van Potshoeck. (Den Haag: Ex Officina Iohannis Steucker, 1684). Parijs, Bibliothèque nationale, delta 20166.

Het moet een fraaie bibliotheek zijn geweest, vol prachtige banden en mooi gedrukte werken op groot papier. Ze bevat twee middeleeuwse handschriften: Der naturen Bloeme van Van Maerlant (folio, nr. 502) en een Histoire de France afkomstig uit het Cabinet du Duc de Montmorency (folio, nr. 71),[12] zes incunabelen (folio, nr. 40, 533, 579, 587, 590 en 602), atlassen, historische werken van Bor, Van Meteren, Hooft, de beroemde ingekleurde wapenboeken van De Gheyn en Van Breen, letterkundige werken van Van der Noot, Bredero, Krul, Vondel, Hooft en Huygens, allerlei bijbels waaronder De grooten Figuur-Bijbel van Scabaelje en zijn Emblemata sacra. En onder de libri in duodecimo bevinden zich maar liefst 50 Republiekjes van Elsevier (nr. 777 – 827).[13]

De bibliotheek van de heer van Potshoeck is die van Van Aerssen

Tot mijn verrassing zijn de boeken die Huygens voor Cornelis van Aerssen te Parijs heeft gekocht in bijna identieke beschrijvingen terug te vinden in de catalogus van de veiling Posthoeck: Plutarque (hierboven geciteerd als titel [1]) is te vinden bij de Libri in folio nr. 38, titel [2] Appian is nr.70, titel [3] Richelieu is nr. 55, titel [4] Jeannin is nr. 148, titel [5] Henri le Grand is bij de Libri in quarto nr. 39, titel [6] het Testament van Hoguette is bij de Libri in duodecimo nr. 490. Ook de door Cornelis van Aerssen in zijn brief van 22 februari 1662 genoemde titel van De Thou [7] is terug te vinden. Het is nr. 65 bij de Libri in folio.

De bibliotheek die de heer van Potshoeck in 1682 te gelde maakt, is dus de bibliotheek van Van Aerssen. Ze is hem door zijn huwelijk met Henriette van Aerssen in handen gevallen. Op grond van de inhoud is het aannemelijk dat reeds ambassadeur François van Aerssen aan de verzameling heeft bijgedragen. Zijn zoon Cornelis heeft de bibliotheek met fraaie exemplaren uitgebreid. Dat is ook gebeurd na diens dood in 1662 door zijn weduwe Lucia van Walta. Blijkens hun gezamenlijk testament bleef zij na de dood van haar man in het bezit van al hun goederen.[14] Zij heeft waarschijnlijk van Constantijn Huygens zijn Korenbloemen (Amsterdam, 1672) cadeau gekregen. Dit boek staat vermeld bij de boeken in kwarto als nr. 2 ‘Seer curieus. Fransche band, Groot Papier’. Dankzij de correspondentie en een gedichtje van Huygens is Cornelis van Aerssen nu bekend als een groot bibliofiel. Zijn grote en kostbare bibliotheek ligt open voor onderzoek.[15]

Ad Leerintveld, 15 november 2020


[1] Kees Zandvliet, De 500 rijksten van de Republiek. Rijkdom, geloof, macht & cultuur. (Zutphen: Walburg Pers 2018), p. 155.

[2] Huygens Briefwisseling, brief nr. 5733.

[3] Idem, nr. 5752. ‘Je ne plais point mon argent pour so[u]lager ma vue, car le grand papier et le bau caracterre qui je demande n’est pas tant par curiosité que pour cet effet.’

[4] Idem, nr. 5766.

[5] O. Schutte, Repertorium der buitenlandse vertegenwoordigers residerende in Nederland 1548-1810. (Den Haag: Nijhoff, 1983), p. 584, nr. 561: Don Manuel Francisco de Lira y Castillo.

[6] Briefwisseling Huygens, nr.7186, Deels uitgegeven door R.J. Fruin in Overblyfsels van geheuchenis […] van den heere Coenraet Droste. Aanteekeningen. (Leiden: Brill, 1879), pp. 513-515. Het gedichtje is ook opgenomen in J. A. Worp, De gedichten van Constantijn Huygens naar zijn handschrift uitgegeven. Deel VIII, (Groningen: Wolters, 1898), p. 295.

[7] KB, hs. KW 78 C 70/1.

[8] Briefwisseling Christiaan Huygens, brief 2147. Huwelijksakte in Den Haag, Nationaal Archief (NA), Collectie Van Aerssen, toegang 1.10.01, inventarisnummer 71.

[9] Zie noot 6 : ‘chose peu ordinaire, qui ayant ouvert la bouche à tout le monde’.

[10] De bibliotheek wordt niet genoemd in: H.W. de Kooker & B. van Selm, Boekcultuur in de Lage Landen, 1500-1800. (Utrecht: HES, 1993).

[11] https://primarysources.brillonline.com/browse/book-sales-catalogues-online.IDC-cat. Nr. 1781, mf. 2990-2991. Origineel: Parijs, Bibliothèque nationale, delta 20166.

[12] Het handschrift Van Maerlant berust thans in de UB Leiden (BPL 14 A). Tot op heden was als vroegste eigenaar ervan bekend Isaac le Long (1683-1762). Zie: Ria Jansen-Sieben, De natuurkunde van het geheelal. Een 13de-eeuws Middelnederlands leerdicht. (Brussel: Paleis der Academiën, 1968), pp. 104-109. De geschiedenis van Frankrijk is mogelijk: Jean Mansel, Fleur des histoires, dat in de 16de eeuw toebehoorde aan een Montmorency. Zie: Hanno Wijsman, Handschriften voor het hertogdom. De mooiste verluchte manuscripten van Brabantse hertogen, edellieden, kloosterlingen en stedelingen. (Alphen aan de Maas: Veerhuis, 2006), p. 74-81. Met dank aan Ed van der Vlist.

[13] Vergelijk: J.A. Gruys, ‘De reeks ‘Republieken’van de Elzeviers en Joannes de Laet, in: B.P.M.Dongelmans, P.G. Hoftijzer en O.S. Lankhorst (red.). Boekverkopers van Europa. Het 17de-eeuwse Nederlandse uitgevershuis Elzevier. (Zutphen, Walburg Pers, 2000), pp. 77-106, met name p. 79.

[14] NA, Collectie Van Aerssen, toegang 1.10.01, inventarisnummer 50.

[15] Dit blog is een lichtelijk bewerkte versie van mijn artikel ‘Constantijn Huygens en de bibliotheek van Van Aerssen van Sommelsdijck’ in: Wim van Anrooij e.a. (red.), Om het boek. Cultuurhistorische bespiegelingen over boeken en mensen. (Hilversum, Verloren 2020), [Huldebundel aangeboden aan prof. dr. Paul Hoftijzer bij zijn emeritaat als hoogleraar Boekwetenschap te Leiden], p. 281-286.

Een briefje van prins Willem

Monsieur, Je vous remercie de la peine que vous avez prise de m’envoyer la lettre du conte Hrenri de Frise. Je vous mande aussi que j’apprens la musique pource que vous en estes grand amateur. Finissant ces peu de lignes, je vous prie de vouloir livrer celles qui sont icy encloses, demeurant, Monsieur, vostre très affectioné, à vous faire service,

Guillaume de Nassau d’Orange

Octob. 1638

Willem II van Oranje-Nassau, door Gerard van Honthorst, ca. 1638, Royal Collection

Dat schrijft de twaalfjarige prins Willem II (1626-1650) van Oranje-Nassau aan Constantijn Huygens, die zich op dat moment met Willems vader, stadhouder Frederik Hendrik (1584-1647), en zijn troepen in de buurt van Grave bevindt. Huygens heeft Willem enkele dagen daarvoor een brief geschreven waarin hij zich heeft beklaagd dat diens zusje, vermoedelijk Louise Henriette (1627-1667), ondanks haar beloftes nooit de moeite neemt iets van zich te laten horen en hij hoopt dat Willem dat wel zal doen. Met zijn brief stuurt Huygens een brief van Hendrik Casimir van Nassau-Dietz (1612-1640) mee voor de jonge prins. Willem doet vervolgens zijn best om te antwoorden en vertelt Huygens dat hij muziek studeert, omdat hij weet dat Huygens een fervent beoefenaar is. Hij stuurt hem enkele brieven mee, wellicht voor zijn vader en misschien ook wel voor zijn neef Hendrik Casimir.

De opleiding van Willem II behoort niet tot het takenpakket van Huygens, maar hij is in de positie dat hij het zich kan permitteren de prins tot schrijven aan te moedigen. Frederik Hendrik heeft in 1632 André Rivet (1572-1651), hoogleraar in de godgeleerdheid, als gouverneur voor zijn zoon aangesteld. Johannes Heilersieg geeft de prins les in taal en wetenschap en David de Marlot (1600-1680), heer van Bavois, is verantwoordelijk voor zijn militaire opvoeding en onderricht in paardrijden.

Constantijn Huygens en zijn kinderen, Adriaan Hanneman, 1639, Mauritshuis

Huygens is in deze periode erg druk met de organisatie van de opvoeding en opleiding van zijn eigen kinderen. Zijn echtgenote Susanna van Baerle, zijn ‘Sterre’, is het jaar ervoor op 10 mei 1637 overleden, Constantijn achterlatend met vijf jonge kinderen. De oudste, Constantijn junior (1628-1697), is dan pas tien jaar. ‘Ende ick met Sijne Hoocheyt te velde moetende op de tocht naer Vlaenderen ende Breda, liet een instructie bij geschrift na’, vertelt Huygens in de beschrijving van de jeugd van zijn kinderen [Ed de Heer en Arthur Eyffinger, ‘De jongelingsjaren van de de kinderen van Christiaan en Constantijn Huygens’ in Huygens Herdacht (1987), 107]. Zo regelt hij dat zijn nicht Catharina Suerius (ca. 1597-1680) de leiding krijgt over het huishouden en de kinderen muzieklessen geeft. De Leidse theologiestudent Abraham Mirkinius komt in huis als leermeester, onder toezicht van Johan Dedel (1589-1665), Huygens’ voormalige huisleraar. De broertjes maken tot hun vaders tevredenheid snel grote vorderingen ‘daer sij soo wel bij deden dat sij mij dagelix met Latijnsche brieven onderhoudende in korten tijde seer fraey ende elegant daerin werden, selfs tot Lodewijck toe’ [De Heer en Eyffinger, 125]. Aldus Huygens over het schriftelijk contact met zijn zoons tijdens de veldtocht in de nazomer van 1638. Wellicht inspireert dit hem prins Willem aan te sporen ook eens iets op papier te zetten.

Brief van Willem II aan Constantijn Huygens, oktober 1638, Koninklijke Verzamelingen, Archief Constantijn Huygens G1-22

Willems brief aan Huygens is een nieuwe vondst, hij is nooit eerder gepubliceerd en hij wordt bewaard bij Koninklijke Verzamelingen, Archief Constantijn Huygens, G1-22. Die van Huygens aan de prins van Oranje-Nassau is wel bekend. De editeur, J.A. Worp, vond het echter niet nodig om in zijn uitgave de volledige brief op te nemen. Bijvoorbeeld het feit dat Huygens wordt genegeerd door Louise Henriette van Oranje-Nassau is weggelaten. Het zijn misschien niet de allerbelangrijkste nieuwe wapenfeiten uit de Nederlandse geschiedenis van de zeventiende eeuw, maar de inhoud van deze autografen leert ons wel meer over de gehoorzaamheid van de jonge prins aan Huygens en de respectabele positie die hij bij de familie van Oranje-Nassau bekleedde.

Ineke Huysman, 1 juni 2020

Vijftig nieuwe brieven uit 1646 van Constantijn Huygens aan Amalia van Solms

Constantijn Huygens aan Amalia van Solms, Assenede, 24 juli 1646:

Zijne Hoogheid [stadhouder Frederik Hendrik], teruggekomen van het uitstapje [een bezoek aan het Franse leger], voelde zich een beetje vermoeid, na enkele uren te paard te zijn geweest. Daardoor heeft hij vannacht niet goed geslapen en is hij om 4 uur opgestaan om in een stoel te gaan zitten, waarom begrijp ik niet. Om 7 uur is hij weer terug op bed gaan liggen en heeft twee à drie uur zo diep geslapen dat alle trompetten van de Franse troepen die gezamenlijk onder zijn raam hebben staan blazen, hem niet hebben kunnen wekken. Na dit slaapje voelde hij zich totaal niet verfrist.

Dit vrij vertaalde fragment is afkomstig uit één van de vijftig teruggevonden brieven van Constantijn Huygens aan Amalia van Solms die zijn toegevoegd aan de online database met de correspondentie van Constantijn Huygens. De verloren gewaande brieven zijn afkomstig uit het Landeshauptarchiv in Dessau en vrijwel allemaal geschreven in 1646. Ze zijn een belangrijke aanwinst voor de digitale brievencollectie van Constantijn Huygens, in het bijzonder voor zijn correspondentie met Amalia van Solms, de echtgenote van stadhouder Frederik Hendrik. In zijn functie van secretaris van de stadhouder hield Constantijn Amalia vanuit het leger, dat ieder jaar van april tot en met oktober op veldtocht was, vrijwel dagelijks op de hoogte van de militaire vorderingen, maar ook van de gezondheid van haar echtgenoot. In totaal zijn er tussen Huygens en Amalia 1.018 brieven gewisseld. Hij schreef er 834 aan haar en zij schreef 184 brieven aan hem. Op de genoemde vijftig brieven na, bevindt deze briefwisseling zich vrijwel geheel bij Koninklijke Verzamelingen onder signatuur KHA, A14a-XIII-18C-1. Dat deze correspondentie zo compleet is, is te danken aan de afspraak die Constantijn met een van Amalia’s hofdames had gemaakt dat zij al zijn brieven aan Amalia voor hem zou bewaren.

Correspondentie Constantijn Huygens met Amalia von Solms: lichtblauw zijn de brieven áán haar; donkerblauw de brieven van haar

Edities

De belangrijkste gedrukte editie van Huygens’ brieven is op dit moment nog steeds die van J.A. Worp, uitgegeven in de periode 1911-1916 in de Rijks Geschiedkundige Publicatiën, de serie bronnenpublicaties van het Huygens ING. In de algemene inleiding bij deel I stelde Worp dat de volledige uitgave van de correspondentie van Constantijn Huygens 25 tot 30 delen zou vergen. Dat zou natuurlijk veel te veel worden en daarom beperkte hij de omvang tot zes delen, want niet alles was volgens Worp even belangrijk. Die werkwijze is echter niet meer van deze tijd. De huidige onderzoeker wil over het volledige materiaal kunnen beschikken en niet afhankelijk zijn van de selectie en parafrases van een 19e-eeuwse historicus. En dat kan: het Huygens ING heeft een database ingericht met per brief enkele kerngegevens. Hieraan zijn de bewerkingen van Worp gekoppeld en het geheel is op het web gepubliceerd en doorzoekbaar. Aan de brieven is extra materiaal toegevoegd, zoals de digitale afbeelding van de originele brief, maar ook verwijzingen naar andere edities dan die van Worp, en dikwijls een transcriptie of vertaling.

Herkomst

Willem II, Prins van Oranje, door Jean I Petitot, naar schilderij van Gerard van Honthorst, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag

En zo worden ook nieuwe, niet door Worp uitgegeven brieven worden aan de database toegevoegd. Daar zijn deze vijftig brieven van Constantijn Huygens aan Amalia van Solms een voorbeeld van. De brieven bevinden zich in het Landeshauptarchiv Sachsen-Anhalt, Abteilung Dessau, A7b, nr. 109 A met als opschrift: ‘Relation de la Campagne 1646’ (Eindelijk weer samen. Inventaris van de archieven van stadhouder Willem II en Amalia van Solms en enige verwanten, samengesteld door J.N. Fernhout (Den Haag) 86). Het was bekend dat de brieven uit 1646 van Huygens aan Amalia ontbraken, maar tot voor kort wist men niet dat ze zich in Dessau bevonden. Ze zijn daar waarschijnlijk ooit terechtgekomen door een beslissing van stadhouder Willem II. Die was tamelijk ongelukkig met de Vrede van Munster, die een einde had gemaakt aan de Tachtigjarige Oorlog. Liever had hij samen met de Fransen de strijd tegen de Spanjaarden willen voortzetten. Kort na het overlijden van zijn vader Frederik Hendrik (maart 1647) besloot hij een aantal documenten uit het archief van zijn vader naar zijn eigen administratie over te brengen om zo goed mogelijk op de hoogte te zijn van zijn vaders contacten met Frankrijk. Zo liet hij 270 folio’s met ingekomen stukken over de voorbereiding van de veldtochten tegen Spanje uit zijn vaders archief lichten (Fernhout, 22 en 98).

Vermoedelijk om dezelfde reden zijn ook de vijftig brieven van Constantijn aan Amalia uit het jaar 1646 in het archief van Willem II ondergebracht. Na diens dood in 1650 is dit deel van het archief bij zijn moeder Amalia terechtgekomen. Toen Amalia op haar beurt in 1675 overleed, werd haar oudste nog levende dochter Albertine Agnes, weduwe van de Friese stadhouder Willem Frederik, executeur-testamentair. Na haar dood is het archief van Willem II, evenals een deel van dat van Amalia en veel Friese stukken in Duitsland, beland bij de enige nog levende zuster Henriette Catharina, de weduwe van de vorst van Anhalt-Dessau. De documenten, maar ook schilderijen en sieraden, stonden daar bekend als Nassauische Erbschaft (Fernhout, 42). Deze verzameling is niet compleet. Het verhaal wil dat Henriette Catharina veel persoonlijke stukken met zich mee heeft genomen in haar graf. De kerk waar zij begraven lag, is in de Tweede Wereldoorlog plat gebombardeerd, dus die stukken moeten als voorgoed verloren worden beschouwd.

De archieven van Willem II en Amalia van Solms zijn aldus verspreid geraakt over het Landseshauptarchiv in Dessau en het Koninklijk Huisarchief in Den Haag. Dankzij een initiatief van beide archieven zijn ze virtueel weer bij elkaar gebracht door middel van de eerder genoemde inventaris, samengesteld door J.N. Fernhout, die in 2011 door het Koninklijk Huisarchief is gepubliceerd. Het Koninklijk Huisarchief beschikt over microfilms en scans en heeft deze, met bereidwillige medewerking van het archief te Dessau, aan het Huygens ING beschikbaar gesteld. Vervolgens zijn de vijftig relevante brieven uit het digitale materiaal gelicht, bewerkt, van metadata voorzien, getranscribeerd en aan de digitale brievencollectie van Constantijn Huygens gekoppeld.

Inhoud

Deze brieven van Constantijn aan Amalia uit 1646 zijn voor de geschiedschrijving een waardevolle toevoeging. Zo was 1646 het laatste jaar waarin stadhouder Frederik Hendrik nog actief was en met het leger op veldtocht ging. Van half juni tot half september van dat jaar verbleef hij met het leger in Oost-Vlaanderen en in de maand oktober was hij gelegerd voor Venlo, dat hij tevergeefs probeerde in te nemen. In zijn brieven doet Constantijn Amalia uitgebreid verslag over de verstandhouding en de ontmoetingen met de geallieerde Fransen, waarin kopstukken zoals legerleiders Condé, Grammont en Orléans figureren. Verder schrijft hij in detail over de verplaatsingen van het leger, de schermutselingen met de vijand en de activiteiten van de vloot bij Duinkerken. Maar ook de verveling die vaak toeslaat terwijl men wacht op instructie, is onderwerp van schrijven. Zo bericht hij over Willem II die, tot ergernis van zijn vader, regelmatig bij de Fransen te vinden is, waarbij er flink wordt gedronken en gekaart om de tijd te doden. Ook de voorbereidingen op de Vrede van Munster zijn in volle gang en er komt er vaak afvaardiging naar het leger om Frederik Hendrik van de onderhandelingen op de hoogte brengen.

Beleg van Venlo in 1646 door Lambert de Hondt de Oudere, Wikimedia Commons

Frederik Hendrik zou op 14 maart 1647 overlijden. Het jaar daarvoor, in 1646, was hij reeds zwak en ziekelijk, vaak mentaal instabiel en lastig in de omgang. Ook hierover doet Constantijn op gepaste maar ook ontroerende wijze verslag. Vaak beschrijft hij tot in detail wat zijn werkgever wel en niet wil eten, hoe hij heeft geslapen, en of en hoe lang hij op zijn paard heeft gezeten. Maar ook Constantijns persoonlijke beslommeringen, waaronder zijn soms moeilijke verstandhouding met Amalia van Solms, komen aan de orde.

De vijftig brieven maken deel uit van een nog steeds groeiende digitale collectie die op dit moment uit 9.188 brieven bestaat.

Ineke Huysman, 25 mei 2020

Een bijzondere brief: Constantijn Huygens als secondant van André Rivet

Een opmerkelijke vondst

Bij de verwerking van de gedigitaliseerde brieven van Constantijn Huygens troffen we een heel opmerkelijke brief aan, die veel vragen oproept. Het is een brief van Huygens vanuit het legerkamp voor Hulst van 2 november 1645 (no. n0293) en gericht aan André Rivet (ca. 1572-1651).[1] De brief komt niet voor in de oude editie van J.A. Worp. Wat meteen opvalt, is dat hij niet in Huygens’ eigen handschrift is. Ook bevat de brief twee Latijnse gedichtjes die Rivet in zijn laatste strijdschrift tegen Hugo Grotius (1583-1645) zou opnemen. In hoeverre bevat deze brief nieuwe informatie over die strijd tussen Rivet en Grotius, wat was de rol van Huygens hierin en wat is de reden dat de brief in een ander handschrift geschreven is?

Huygens en Rivet

André Rivet, Jacob van Meurs, 1650, Rijksmuseum

Huygens correspondeerde veel met André Rivet,[2] die in zijn lange leven diverse functies bekleedde. Zo was hij professor in de theologie te Leiden, gouverneur van de jonge prins Willem II en curator van de Illustere School te Breda, een functie die hij samen met Huygens en Johan Polyander genaamd van den Kerckhove(n) (1594-1660), heer van Heenvliet, bekleedde. Huygens’ zonen Christiaan (1629-1695), Lodewijk (1631-1699) en Philips (1633-1657) zouden er onderwijs volgen en Rivet en Huygens zouden ook daarover geregeld corresponderen. Huygens begint zijn brief aan Rivet met de mededeling dat hij al twee maanden last heeft van een pijnlijke ontsteking aan beide ogen en dat hij daardoor zijn correspondentie, die doorgaans honderd brieven per maand bedraagt, heeft moeten beperken. Gelukkig gaat het nu weer beter en de kort daarvoor ontvangen brief van Rivet van 25 oktober 1645 (no. 4171) heeft hem aangemoedigd de pen weer op te pakken, wat ook noodzakelijk is voor zijn functie. Omdat er nu een database is met gegevens van de correspondentie van Huygens, kunnen we zien dat Huygens toch nog wel wat had geschreven in de afgelopen twee maanden: 39 brieven in totaal, vooral aan Amalia von Solms (1602-1675), de echtgenote van stadhouder Frederik Hendrik (1584-1647) .

Huygens ging jaarlijks mee op veldtocht met de stadhouder en een van zijn taken was Amalia op afstand te informeren over de vorderingen van het leger, maar ook over de gezondheid van haar echtgenoot. In 1645 was Frederik Hendriks gezondheid maar matig, hij leed aan jicht en werd daarvoor met een speciaal drankje behandeld door Andreas Cnoffelius (?-1658), lijfarts van de Poolse koning, die daarvoor duizend rijksdaalders betaald kreeg.[3] Cnoffelius was een expert op het gebied van jicht en heeft daarover ook gepubliceerd.[4] De arts was op doortocht naar Parijs, waar de huwelijkssluiting met de handschoen tussen Marie-Louise de Gonzague (1611-1667) en de Poolse koning Wladislaw IV (1595-1648) zou plaatsvinden. Rivet had Huygens in zijn brief van 25 oktober laten weten dat Gerard, graaf van Denhof (1589-1648), ook op doortocht naar de Parijse trouwerij, helaas geen bezoek aan de stadhouder kon brengen, maar hem wel zijn hoffelijke groeten overbracht. Huygens antwoordt hem dat de stadhouder de groeten van de graaf in ontvangst heeft genomen, zonder aan de Poolse dokter Cnoffelius veel aandacht te besteden. Ook meldt hij dat de Prins gestopt is met het innemen van zijn medicatie, maar dat er geen verschil te merken valt. Hij hoopt er maar het beste van, want het zijn spannende tijden.

Het beleg van Hulst

Hendrick de Meijer, Verovering van Hulst, 1645, Rijksmuseum

In dat verband bericht Huygens Rivet over de stand van zaken rond het beleg van Hulst dat Frederik Hendrik op 8 oktober 1645 was begonnen. De Prins sloeg het beleg voor Hulst omdat hij hoopte uiteindelijk toch Antwerpen te kunnen innemen, wat hem nooit gelukt is. Hulst werd met 305 compagnieën aangevallen. Vanuit het zuiden onder leiding van de Prins en vanuit het noordwesten door veldmaarschalk Johan Wolfert van Brederode (1599-1655). Zoals Huygens schrijft, stuurt Frederik Hendrik op 2 november een onderhandelaar om de stad op te eisen. Vanaf 1 november zijn mineurs al bezig de stadswal te ondermijnen. De gouverneur van de stad, Jacques d’Haynin du Cornet (ca. 1587-1666), wijst het verzoek beleefd af, waarna een stormloop begint. Op 4 november capituleert de stad. Met de inname van Hulst heeft Frederik Hendrik, de stedendwinger, de verdedigingslinie van strategisch gelegen steden om de de Noordelijke Nederlanden voltooid.  De Prins heeft de tuin van de Zeven Verenigde Nederlanden gesloten. Hulst is zijn laatste overwinning en zij wordt uitbundig gevierd. Ook Huygens laat zich niet onbetuigd en schrijft een aantal lofdichten in het Latijn en het Nederlands.[5]

Lees verder “Een bijzondere brief: Constantijn Huygens als secondant van André Rivet”

Maurits Huygens, ‘de broer van’

Maurits Huygens (1595-1642) is de net iets oudere broer van Constantijn, ze schelen niet veel meer dan anderhalf jaar. Ze zijn niet alleen broers, maar ook vrienden voor het leven. Die innige band dateert uit hun jeugd waarin ze veel op elkaar aangewezen zijn. De broertjes Huygens gaan niet naar school, maar hun vader Christiaan (1551-1624) stelt gouverneurs aan om ze thuis te onderwijzen. Ze krijgen een brede opvoeding waarbij ze niet alleen lessen volgen in rekenen, Frans, Latijn en Grieks, maar ook praktische lessen als paardrijden, schermen, tekenen en boetseren, en natuurlijk muziek- en dansles. Maurits en Constantijn gaan beiden rechten studeren in Leiden, maar daarna scheiden hun wegen: Constantijn gaat in eerste instantie de diplomatie in en Maurits zal in 1624 zijn vader Christiaan opvolgen als secretaris bij de Raad van State.

Huwelijkspartners

In mei 1633 zal Maurits met Petronella Campe (?-1669) trouwen, met wie hij vijf kinderen krijgt. Hoe anders had het allemaal kunnen lopen als moeder Susanna Hoefnagel (1561-1633) in 1622 haar zin had gekregen. Zij probeert in dat jaar haar achternichtje Suzanna van Baerle (1599-1637) aan haar zoon Maurits te koppelen. Terwijl Constantijn op gezantschapsreis in Engeland verblijft, houden zijn zussen Geertruid (1599-1680) en Constantia (1602-1667) hem daar op de hoogte van Maurits’ vorderingen bij het ‘Apie’, zoals ze Suzanna in hun brieven noemen. Suzanna wijst Maurits echter af omdat ze aan een huwelijk nog niet toe is. Hierop dicht Constantijn plagerig een tekst op de melodie van een bestaand lied, Susanne un jour: als zij zo doorgaat, zal ze net als de Bijbelse Suzanna alleen nog maar oude mannen kunnen krijgen. Het duurt overigens nog tot 6 april 1627 tot het Constantijn zelf lukt om Suzanna van Baerle, zijn ‘Sterre’, te trouwen.

Correspondentie

Brief van Maurits Huygens aan Constantijn Huygens, 20 mei 1622, BHIC, collectie Cuypers 2241, 76; http://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens/brief/nr/151

Van de correspondentie tussen Maurits en Constantijn zijn maar 29 brieven bewaard gebleven: negen brieven van Constantijn aan Maurits, en twintig brieven van Maurits aan Constantijn. Ze dateren allemaal uit de periode 1617-1625, wat erop wijst dat er veel van hun correspondentie verloren is gegaan, hoewel ze elkaar ook vaak gesproken zullen hebben, en er dus geen noodzaak tot schrijven was. 13 brieven van Maurits worden bewaard in het Brabants Historisch Informatiecentrum in de Collectie-Cuypers (inv. nr. 2241). J.A. Worp, editeur van de oude Huygens-brieven editie, geeft in zijn annotatie aan dat deze brieven vermoedelijk verloren zijn gegaan. Hij heeft wel zeven transcripties kunnen overnemen uit De Militaire Spectator, 2e serie IV, 1852. Van het bestaan van de overige zes brieven was Worp zich niet bewust, en deze zijn nu als nieuwe brieven aan de database toegevoegd. Die brieven van Maurits aan Constantijn zijn heel onderhoudend: hij houdt Constantijn, die dan in Engeland verblijft, niet alleen op de hoogte over de actuele politieke en militaire gebeurtenissen zoals het beleg van Bergen op Zoom, maar hij vertelt ook over allerlei alledaagse zaken, zoals de logeerpartij van Suzanna van Baerle en haar zusjes bij de familie Huygens in Den Haag. De dertien ‘Brabantse’ brieven van Maurits aan Constantijn zijn in de brievendatabase gekoppeld aan een transcriptie die M. de Haas in 1929 publiceerde in de BMHG (50) 1929.

Lees verder “Maurits Huygens, ‘de broer van’”