Een onverwachte nieuwjaarswens én een kerstgedicht

Bij de werkzaamheden voor Huygens Briefwisseling Online duiken steeds verrassingen op. Zo vond Ineke Huysman in de collectie van de Fondation Custodia in Parijs een geheel onbekende brief aan Huygens met een kerstgedicht. De brief is geschreven ‘aus Antorff den 15 Januarij 1639’ door een zekere Christophorus von Essen ‘Jacht[meeste]r von Dessau aus Anhalt’. Deze Christophorus von Essen of Christoffel van Essen geniet in de jaren dertig en veertig van de zeventiende eeuw in Antwerpen enige bekendheid als dichter en schermmeester. Op zijn naam staat een vijftal publicaties waaronder een werk tegen de Hollanders die maar geen vrede willen met Spanje (1634) en een lofdicht op kardinaal-infant Ferdinand van Oostenrijk, landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden, bij zijn Blijde Intrede in Antwerpen (1635).[1] Uit zijn publicaties blijkt Van Essen zeer katholiek, Spaansgezind, anti-calvinistisch en tegen de Hollanders te zijn. Het is dan ook opmerkelijk dat hij de hervormde, Haagse Hollander Huygens een gedicht stuurt. Huygens heeft Van Essen en zijn werk mogelijk gekend en over hem horen spreken bij zijn frequente bezoeken aan Antwerpen. Of ze elkaar ontmoet hebben, is onbekend. Van Essen kende in ieder geval Huygens’ reputatie. Dat wordt overduidelijk uit de nu voor het eerst gepubliceerde brief, die ook de eerste (en enige?) brief is die tussen Huygens en Van Essen is gewisseld.[2]

Van Essen begint zijn schrijven met de mededeling dat hij Huygens niet eerder heeft geschreven. ‘Maar’, zegt hij vervolgens, ‘niets zijn de bestieringhen (wilsbesluiten) van de Allerhoogste vreemd en onbegrijpelijk’. Met de opmerking dat de microcosmos (de mens) en de grote globe (de aarde) door hetzelfde licht beschenen worden, zet Van Essen een vergelijking in tussen hemzelf en Huygens. Hij is maar een nachtlampje vergeleken met het licht dat Huygens is. Hij is maar een vonkje bij de flambouw van Huygens en zijn gedicht zal hooguit een half uurtje van Huygens’ vrije tijd nemen. In de rest van de brief probeert Van Essen met een ingewikkelde verwoording van de werking der emoties en hartstochten Huygens duidelijk te maken hoezeer hij innerlijk geprest is tot dit schrijven. Hij eindigt met Huygens ‘een salichst ende geluckichst Nieuw-Jaer’ te wensen.

Het kerstgedicht van Van Essen

Christoffel van Essen stuurt Huygens een kerstgedicht dat is opgebouwd uit twee delen.[3] Het eerste deel van zestien regels beschrijft de almachtige God, mens geworden als een klein kind: het ‘Kleijn-Grote Kind, waarin het al staat stil’. Het tweede deel is een oproep aan de mens om zich bij het aanschouwen van dit wonder om zijn zielenheil te bekommeren.

De beschrijving in het eerste deel is vol tegenstellingen. God die met milde hand de hele aarde zegent, omhelst de nood en laat armoede en gebrek toe tot Zijn lichaam. Hij die alles Zijn woning geeft, heeft, nu Hij mens is geworden, geen onderdak bij de mensen. Jozef en Maria doen hun best en vinden voor Hem een plaats bij de domme beesten. ‘Daar is de Hemel nu in enen stal besloten’. ‘Daar ligt de Schepper’, zelf verstoten van Zijn eigen werk. Israël en Judea kennen Hem niet. Maar de os en de ezel beschouwen Hem als hun meester. En de herders, die in het veld hun schapen hoeden, horen een nooit-gehoord lied ‘Van Vrede op der aard’ aan die van goeden wil’.

Rembrandt van Rijn, De aanbidding der herders. 1646. München Alte Pinakothek. Rembrandt maakte dit in opdracht van stadhouder Frederik Hendrik.

Het tweede deel van het gedicht roept de mens op zich op het heil van zijn ziel te richten. Met een wel twaalfmaal herhaald ‘Hier’ richt de dichter de aandacht van zijn lezer op het wonder dat geschied is in deze stal. Hier is God door Zijn Menswording met de mens verbonden. Hier ligt uw eigen stoffelijke lichaam in genade gewikkeld. Hier is de Hemel neergedaald. Hier is de kop van de slang gebroken. Hier is Uw Heer. Hier is het hoogste wonder. Hier is de hulp voor uw ziel. Hier is het meest bijzondere, de om u mens geworden mens. Hier is wat ‘altegaar’ kan geven wat de mens verheugt ‘in ’t Nieuwe-Jaar’.

Huygens’ Kersmis

De tegenstellingen uit Van Essens kerstgedicht: God-mens, Hemel-stal, almachtige God-pasgeboren kind vinden we ook terug in het sonnet Kersmis dat Huygens op 5 januari 1645 schreef. Kersmis is opgenomen in de bundel Heilighe Daghen, een onmiskenbaar hoogtepunt in Huygens’ oeuvre. Huygens liet deze gedichten op de kerkelijke hoogtijdagen in 1645 fraai uitgeven te Amsterdam bij Johan Blaeu als geschenk aan Leonora Hellemans, de vrouw van zijn vriend P.C. Hooft.[4] Huygens’ gedicht Kersmis is veel pregnanter dan dat van Van Essen. Huygens verwoordt in veertien regels wat Van Essen in achtentwintig regels benadert. Bij Huygens is de ziel al overtuigd van het wonder en de betekenis van ‘Gods Soon in’t hoy’. Zijn ziel wil bij Hem in de stal overnachten. Aan het einde van zijn sonnet, spreekt Huygens zijn ziel toe. Zij moet nederig knielen voor het Kerstkind en een einde maken aan de ongepaste rijmelarij. Bij dit wonder past sprakeloosheid.

Invloed?

Huygens heeft voor zover bekend niet gereageerd op Van Essens zending. Christoffel van Essen was noch door afkomst, aanzien of functie een partij voor Huygens. Van Essen zal Huygens met zijn gedicht (en zijn brief) hebben verwonderd en mogelijk ook ontroerd. Hun beider geloof in het Wonder van Kerstmis kan hen, katholiek en calvinist, bijeengebracht hebben. Of Huygens in 1645 voor zijn gedicht Kersmis door het hem zes jaar tevoren toegezonden gedicht van Van Essen geïnspireerd werd, valt niet uit te maken. Voor zijn Heilighe Daghen waren de bijbel en zijn geloof de belangrijkste inspiratiebronnen.

Ad Leerintveld, 26 december 2020


[1] De volledige titels zijn te vinden in de Short Title Catalogue Vlaanderen STCV: stcv.be

[2] Zie voor een scan, transcriptie en vertaling van deze brief: http://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens/brief/nr/n0388

[3] Het gedicht (in origineel, transcriptie en vertaling) is te lezen via: http://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens/brief/nr/n0388

[4][4] Constantijn Huygens, Heilighe Daghen. Uitgegeven naar de eerste editie van 1645. Ingeleid en toegelicht door L. Strengholt. Amsterdam 1974. Ook te raadplegen via dbnl.org

Justinus van Nassau en Constantijn Huygens

In de database met de correspondentie van Constantijn Huygens bevinden zich acht brieven van Justinus van Nassau (1559-1631) aan Constantijn Huygens. Daarvan zijn er twee nooit eerder uitgegeven. Wie was Justinus van Nassau en wat was zijn relatie met Constantijn Huygens? Waar gaan de brieven over?

De overgave van Breda in 1625 door Diego Velázquez (ca. 1635), Wikimedia Commons. Links Justinus van Nassau die Ambrogio Spinola de sleutels van de stad Breda aanbiedt.

Justinus was de zoon die voortkwam uit de kortstondige relatie tussen Eva Elinx (ca. 1535-1590) en Willem van Oranje na het overlijden van zijn eerste echtgenote, Anna van Buren. Hoewel Justinus nooit als wettige nakomeling werd erkend, kreeg hij wel een adellijke opvoeding aan het hof. Na zijn studie aan de net opgerichte Universiteit van Leiden maakt hij carrière als luitenant-admiraal van Zeeland (1585-1601) en was hij onder meer betrokken bij de verdediging van Antwerpen en de Vlaamse kust tegen de Spanjaarden. Met het landleger vocht hij mee bij de inname van Breda en de Slag bij Nieuwpoort.

Ook reisde hij als diplomaat verschillende malen naar Frankrijk en Engeland, onder andere met Johan van Oldenbarnevelt. In 1597 trouwde Justinus met Anna van Merode (1565-1634) met wie hij drie kinderen kreeg. In 1601 werd hij gouverneur van Breda en hij bekleedde die functie totdat de stad in 1625 moest capituleren. Daarna trok hij zich terug in Leiden en verdiepte zich in de wetenschap. [Verder lezen: A.P. van Vliet, Bastaard van Oranje. Justinus van Nassau: admiraal, diplomaat en gouverneur (1559-1631) (Zutphen 2017)]

Peetvader

Tijdens de uitoefening van zijn functie als secretaris van Willem van Oranje had Constantijns vader Christiaan Huygens een vriendschappelijke band met Justinus opgebouwd. Toen zijn zoon Constantijn in 1596 werd geboren, vroeg Christiaan, inmiddels secretaris van de Raad van State, aan Justinus of hij peetvader (parrain) van zijn tweede kind wilde worden. De andere ‘peetvader’ was het bestuur van de stad Breda, een stad waarmee Christiaan een hechte band had, omdat hij er in de buurt was geboren en getogen. Justinus schonk een ‘pillegift’ (doopgeschenk) in de vorm van een vergulde kelk, die Constantijns moeder Suzanna Hoefnagel later in haar testament aan Constantijn vermaakte.

Ondertekening van een brief van Justinus van Nassau aan Constantijn Huygens van 15 mei 1627, Koninklijke Verzamelingen, Archief Constantijn Huygens, G1-9.1.

Er is niet zoveel bekend over de relatie tussen Constantijn en zijn peetvader, Constantijn zelf heeft er niets over vastgelegd. We zullen het dus moeten doen met de acht overgeleverde brieven die Justinus aan Constantijn schreef tussen 1627 en 1630, toen hij in Leiden woonde. Zo accepteerde hij op 25 maart 1627 hartelijk Constantijns uitnodiging voor diens huwelijk met Susanna van Baerle, maar moest hij zijn vrouw verontschuldigen omdat zij verkouden was. Uit zijn daarop volgende brief maken we op dat Constantijn hem het verslag van zijn reis naar Venetië had uitgeleend. Justinus schrijft dat hij wenste dat hij twintig jaar jonger was, want dan zou hij al die zeldzaamheden in de mooie en grote steden van die magnifieke republiek van Venetië zelf gaan bezichtigen. In een andere brief lezen we dat hij bewondering maar ook kritiek had op het hem door Constantijn toegezonden relaas van Francis Vere (1560-1609) over de Slag bij Nieuwpoort. Hij had het gelezen en herlezen en kwam tot de slotsom dat de Engelse commandant uitstekend had beschreven wat hij zelf aan verdiensten had geleverd, maar dat de prestaties van de andere partijen, bijvoorbeeld die van onze eigen cavalerie en wijlen prins Maurits, wel wat meer aandacht hadden mogen krijgen. In andere brieven vraagt Justinus aan Constantijn om voorspraak bij de stadhouder Frederik voor benoemingen in het leger, onder andere voor zijn eigen zoon, vermoedelijk Philips jonker van Nassau, heer van Grimhuizen, Hoekelom en Wijchen (1605-tussen 1672 en 1676).

Nieuwe brieven in de British Library

Vier brieven van Justinus van Nassau worden bewaard in het archief van Constantijn Huygens bij Koninklijke Verzamelingen in Den Haag. De twee hiervoor genoemde recommendatie-brieven bevinden zich in de British Library. Daar worden echter nog twee brieven bewaard die niet in de gedrukte brieven-editie van J.A. Worp staan. In zijn brief van 23 november 1630 beschrijft Justinus hoe een ernstige verkoudheid hem nog steeds verhindert het stadhouderlijk echtpaar, en Constantijn en zijn familie, in Den Haag te bezoeken. De winter is niet geschikt voor mensen van zijn leeftijd, zo schrijft hij, maar hij hoopt toch binnen enkele dagen te kunnen komen. In de tweede onbekende brief komt Justinus terug op zijn eerdere verzoek om voorspraak voor zijn zoon. Ook vraagt hij of Constantijn kan regelen dat zijn zoon toestemming krijgt zijn vrouw te kunnen bezoeken die op sterven na dood is geweest. Daarna werd het stil. Constantijns peetvader schreef niet meer, hij overleed op 26 juni 1631.

Uit de brieven van Justinus van Nassau aan Constantijn Huygens komt duidelijk naar voren dat Justinus, zoals het een goede peetvader betaamt, oprecht interesse toonde voor Constantijn. Tegelijkertijd maakte hij, zoals velen in die tijd, grif gebruik van de cruciale positie die Constantijn als secretaris van de stadhouder innam.

Ineke Huysman, 5 juli 2020.

Nummer 3 in de Huygens top 10: Béatrix de Cusance

Top 10 van vrouwelijke correspondenten van Constantijn Huygens

Dat Constantijn het goed kon vinden met vrouwen is algemeen bekend. Hij correspondeerde ook veel met ze: er zijn in totaal 1.730 brieven bewaard van of aan 194 verschillende vrouwen.

Met Amalia van Solms (1602-1675), de echtgenote van zijn werkgever Frederik Hendrik (1584-1647), heeft Constantijn de meeste brieven zijn uitgewisseld, namelijk 1.018: 184 van Amalia aan Constantijn en 834 van Constantijn aan Amalia. Zolang de Tachtigjarige Oorlog woedde, was Constantijn ieder jaar met het leger op veldtocht. Hij hield hij haar via brieven op de hoogte van de vorderingen van het leger, maar ook over het welzijn van haar echtgenoot. Zie daarover ook het blog over vijftig onbekende brieven van Huygens aan Amalia. Na het overlijden van Frederik Hendrik zakte hun correspondentie in, met een opleving vlak na het overlijden van haar zoon, stadhouder Willem II, en met een nieuwe piek in de jaren ’60, toen Constantijn voor de Oranje-Nassaus in Frankrijk verbleef om, met succes, te onderhandelen over de teruggave van het Prinsdom Orange. Toen was Amalia overigens degene die het meeste schreef.

Nummer twee in de top tien is Constantijn’s moeder, Susanna Hoefnagel. Constantijn en Susanna schreven veel met elkaar toen Constantijn op gezantschapsreis was in Engeland. Lees daarover het blog Moeders Journael van Roosje Peeters.

Béatrix de Cusance

Château Belvoir in de Franche-Comté; Béatrix de Cusance, door Anthony van Dyck, 1634 en Constantijn Huygens, door Michiel van Miereveld, 1645, Huygens’ Hofwijck

Nummer drie in Constantijns top tien is Béatrix de Cusance (1614-1663), hertogin van Lotharingen. Over haar relatie met Constantijn Huygens zal de rest van dit blog gaan. Béatrix werd in 1614 geboren op kasteel Belvoir in de Franche-Comté. Zij groeide op aan het Brusselse hof van Infante Isabella en trouwde daar in 1635 met de Eugène-Léopold, prins van Cantecroy, die echter al twee jaar later kwam te overlijden. Tien dagen later tekende Béatrix een huwelijkscontract met condottiere Karel IV hertog van Lotharingen, met wie zij voor haar huwelijk al een affaire had gehad. De hertog was echter al getrouwd met zijn nicht Nicole. Om die reden werden Béatrix en Karel door de Paus gedwongen gescheiden van elkaar te leven. Ze zouden drie kinderen krijgen, waarvan er één jong overleed. In de periode 1640 tot 1662 onderhield Béatrix op haar bezittingen in de Zuidelijke Nederlanden culturele contacten met vooraanstaande personen zoals Engelse royalistische ballingen. Ook Constantijn Huygens behoorde tot haar intimi. Na de dood van Karels echtgenote Nicole in 1657 probeerde Béatrix tevergeefs haar huwelijk met de hertog te hernieuwen. Pas op haar sterfbed in 1663 kwam het tot het door haar zo vurig gewenste wettige huwelijk.

‘Ducissae Lotharinghiae in domo Duartia innotesco, cum me visum venisset!’ Dat wil zoveel zeggen als: ‘Ik maakte persoonlijk kennis met de hertogin van Lotharingen in het huis van Duarte, aangezien ze was gekomen om mij te zien!’ Dat noteerde Constantijn Huygens op 15 juli 1652 in zijn dagboek.[1] Toen Constantijn en Béatrix elkaar die dag bij de familie Duarte in Antwerpen ontmoetten, was hij 55 jaar oud en zij 37 jaar. Deze gebeurtenis zou het begin inluiden van een vriendschap, waarmee ook een intensieve uitwisseling van brieven, geschenken en diensten op gang kwam.[2] Constantijns muzikale verdiensten zijn het sociale bindmiddel geweest in zijn relatie met Béatrix. Hij wees haar er in zijn eerste brief al op dat hij haar niet alleen wilde vereren met schilderijen, gedichten en reukwaren, maar ook met de akkoorden van zijn luit, viola da gamba en klavecimbel. In tachtig procent van de brieven, zowel in die van Béatrix als in die van Constantijn, komt muziek op de een of andere manier voor.

Het eerste dat opvalt in de oude gedrukte editie bewerkt door J.A. Worp, is dat de editeur de correspondentie tussen Constantijn en Béatrix nauwelijks aandacht heeft gegeven. Worp heeft van Béatrix’ brieven aan Constantijn veertig procent in het geheel niet opgenomen en van de rest slechts een korte samenvatting gegeven. In de voetnoten motiveert Worp zijn weglatingen met kwalificaties als ‘zonder eenig belang’, ‘zonder betekenis’, en ‘is geheel onbelangrijk’. Het is mogelijk dat hij wilde verhullen dat er iets speciaals tussen Constantijn en Béatrix aan de hand was, uit vrees dat aandacht voor een dergelijke relatie afbreuk zou doen aan de goede naam van Constantijn Huygens. Het is echter aannemelijker dat Worp deze correspondentie werkelijk van ondergeschikt belang achtte en van mening was dat de briefwisseling niet aan zijn maatstaven voldeed. Tegenwoordig denken we daar in ieder geval anders over: de brieven bevatten interessante thema’s over politiek, kunst, religie, mentaliteit, internationale netwerken, en vriendschaps-, hof-, muziek-, verzamel- en briefcultuur.

Van Constantijns brieven aan Béatrix zijn 23 concepten bewaard gebleven. Het werkelijke aantal brieven dat hij haar schreef is op basis van een inhoudelijke reconstructie op meer dan veertig bepaald. Daaruit blijkt dat 17 van Constantijns brieven uit de periode 1657-1660 ontbreken. Daarom geeft de grafiek hierboven een enigszins vertekend beeld. Wellicht vond Constantijn de inhoud van de brieven ongeschikt voor andermans ogen en zijn ze vernietigd. Van Béatrix’ brieven aan Constantijn ontbreken vermoedelijk vier brieven, terwijl 45 brieven bewaard zijn gebleven. De eerste vijf brieven werden door haar secretaris geschreven en door Béatrix ondertekend. Daarna schreef ze al haar brieven aan Constantijn eigenhandig, wat als een teken van vertrouwelijkheid kan worden beschouwd.

Portret

In 1652 stelde Constantijn Béatrix in Den Haag voor aan Amalia von Solms en Mary Stuart. Vervolgens liet Béatrix zich in Utrecht op verzoek van Amalia door Gerard van Honthorst portretteren en de dames wisselden elkaars portretten uit. Ook had Béatrix haar portret aan Constantijn beloofd. Dat liet nogal op zich wachten, maar dat kwam, zo schreef Béatrix, omdat de schilder, Justus van Egmont, ziek was. Constantijn wijdde er twee gedichten en enkele ‘verontwaardigde’ brieven aan. In mei 1656 componeerde hij zelfs een gedicht getiteld Songe. À Madame la Duchesse de Lorraine, tardant de me donner son portraict, waarin hij opnieuw tot uitdrukking bracht hoezeer het hem frustreerde dat hij zo lang op Béatrix’ portret moest wachten. In het gedicht beschrijft hij een droom waarin hij niet alleen naar haar portret verlangt, maar ook naar Béatrix zelf. De laatste regels zijn verrassend. Hij droomt hoe het zal zijn als hij haar portret boven zijn bed heeft hangen. Hij gaat nog verder, want hij zegt dat hij haar portret eigenlijk niet meer nodig heeft. Hij is immers in staat om te dromen dat hij Béatrix zelf in zijn bed heeft liggen. Het is een treffend voorbeeld van de dichterlijke dubbelzinnigheid die in de zeventiende eeuw populair was en die veel suggereert maar niet letterlijk hoefde te worden opgevat. Het was aan de lezer zelf om haar te interpreteren.

Béatrix de Cusance, door Justus van Egmont, ca. 1655, Wikimedia Commons

Constantijn ontving Béatrix’ portret uiteindelijk in september 1657. In datzelfde jaar zou zij haar portret, ook vervaardigd door Justus van Egmont, naar hertog Karel in Spanje sturen, die daar gevangen gehouden werd. Vermoedelijk heeft Constantijn een andere versie van dit hierboven afgebeelde schilderij ontvangen. In de verkoopcatalogus van de kunstcollectie van Constantijns dochter Susanna komt inderdaad een portret van de hertogin van Lotharingen voor, de naam van de schilder wordt er echter niet bij vermeld.[3] Als dankzegging voor de ontvangst schreef Constantijn een gedicht getiteld Sur le portrait de la duchesse de Lorraine.

Eind 1659, begin 1660 kwam er een kentering in de vriendschap en liepen hun gevoelens niet langer synchroon. Ineens was het Béatrix die om Constantijns aandacht moest vragen. Uiteindelijk is het contact een half jaar voor haar overlijden in 1663 verbroken. Béatrix’ echtgenoot, de hertog van Lotharingen, was na zijn vrijlating in 1659 niet meer van plan zich met haar te herenigen en stuurde haar weg uit de Zuidelijke Nederlanden naar Besançon. Ineens was zij geen middelpunt meer van de Antwerpse en Brusselse elite. Het is goed voorstelbaar dat Béatrix in haar sociaal en persoonlijk isolement werkelijk behoefte heeft gehad aan de troostende woorden van Constantijn waarop ze eerder altijd wel had kunnen rekenen. Maar Constantijn had hier geen belang meer bij. Voor hem was haar rol uitgespeeld. Veelzeggend is ook Constantijns poging zijn brieven aan Béatrix terug te halen. Op het eerste gezicht lijkt het idyllisch, Constantijn die in Besançon het graf en de sterfplaats van Béatrix bezoekt. In werkelijkheid was zijn reis vermoedelijk ingegeven door de wens alle belastende sporen (roddels, toezeggingen etc.) van hun vriendschap uit te wissen door zijn originele brieven aan haar te vernietigen. Dit verklaart ook waarom Huygens’ nalatenschap van de afschriften van zijn eigen brieven aan Béatrix incompleet is, hij heeft alleen bewaard wat geschikt was voor andere ogen.

In 2010 keerde het geconserveerde hart van Béatrix terug naar Huygens’ Hofwijck, de plaats waar het ooit levend had geklopt, om te pronken op een tentoonstelling over Vrouwen rondom Huygens. Toenmalig directrice Belle van den Berg en onderzoeker Ineke Huysman gingen naar Béatrix’ kasteel Belvoir in de Franche-Comté om haar hart op te halen en daarover is een filmpje gemaakt:

Ineke Huysman (met dank aan Geeske Bisschop), 17 mei 2020


[1] J.H.W. Unger, Dagboek van Constantijn Huygens (Amsterdam 1885) 54.

[2]Zie ook: Béatrix en Constantijn. De briefwisseling tussen Béatrix de Cusance en Constantijn Huygens, Ineke Huysman en Rudolf Rasch (eds.) (Amsterdam 2009).

[3] Inge Broekman, Constantijn Huygens, de kunst en het hof, 98, daarin: SDH (1725), nr. 141: ‘Hertogin van Lotteringen, knie[-]stuk.

Moeders journael

In Mijn leven verteld aan mijn kinderen in twee boeken (1678) schrijft Constantijn dat zijn moeder Susanna Hoefnagel (1561-1633) hem als enige van haar kinderen zelf aan de borst heeft gevoed. Sterker nog, hij beschrijft dit meer dan één keer. Aan het begin van zijn biografie stelt hij nog: ‘Op grond van dit laatste feit hebben sommige mensen gedacht dat mijn moeder voor mij een heel speciale genegenheid voelde, ofschoon zij als geen andere vrouw al haar kinderen gelijkelijk met haar liefde omringde.’[1] Maar aan het einde van zijn biografie lijkt hij hierover van mening veranderd. Wanneer Constantijn beschrijft dat zijn moeder op hoge leeftijd is overleden (waarbij hij overigens tot zijn grote verdriet zelf niet aanwezig was), vervolgt hij met: ‘O, met recht prijs ik mijzelf gelukkig, mijn zoete voedster, want hoe bevoorrecht was ik boven mijn broer en vier zussen, dat ik als zuigeling niet de melk van een ander heb gekregen!’[2] Hij erkent dat zij evenveel van al haar kinderen hield, maar ‘toch is het geen verbeelding dat u als een welhaast dubbele moeder een iets sterkere binding had met het kind dat u gedragen en zelf gevoed had. Voor zulke liefde hoeven ook geen duistere verklaringen gezocht te worden. De kracht ervan zit evenzeer in het bloed als in de voeding.’[3] Constantijn lijkt zichzelf hier de rol van moeders lievelingetje toe te bedelen.

Zeer geëerde ouders

Tijdens de reizen die Constantijn als jongeman aflegt, verschillende malen naar Engeland en eenmaal naar Venetië, blijft hij via brieven contact houden met zijn ouders. Hij opent deze telkens met ‘très honnorez parents’. Een enkele keer schrijft hij alleen aan zijn moeder (‘très honnorez mère’), zoals op 27 april 1622, wanneer hij klaagt dat hij geen antwoord krijgt op zijn brieven en dat hij een nieuwe mantel nodig heeft.[4] Van de brieven die zijn ouders terugschrijven, zijn er maar weinig bewaard gebleven. De openingszin van een van die brieven, geschreven door zijn moeder Susanna, doet echter vermoeden dat deze veelal door zijn vader werden geschreven: ‘Breur, Vader geeft mij desen brief om te sluyten, soo moet ick er noch wat bij setten’.[5] Constantijns vader Christiaan wilde misschien dat ze liet weten hoe het met haar gezondheid stond. Een week eerder schrijft Constantijn al aan zijn ouders dat hij opgelucht is dat ‘moeder weer beter is’.[6] Susanna laat hem dan ook weten: ‘het is met mij nu redelijck, Godt lof, maer noch niet ter degen; het hoesten en fluymen en wil niet ophouden, maer tsal eens eynden, believet Godt.’[7]

Journael

Fragment van Susanna’s brief aan Christiaan van 6 maart 1624. Bovenaan staat ‘Journael’.

Een paar weken na het overlijden van vader Christiaan op 7 februari 1624 moet Constantijn opnieuw naar Londen met een gezantschap van Van Aerssen.[8] Vanaf dat moment begint hij lange brieven uit te wisselen met zijn moeder. De brieven van Constantijn zijn, voor zover we weten, helaas niet bewaard gebleven, maar de brieven van Susanna wel. Ze zijn aan de lange kant en hebben een bijna dagboekachtige vorm. Bovenaan haar eerste brief schrijft zij dan ook ‘Journael’ (verslag van dag tot dag van iemands leven[9]).[10] Susanna schrijft gedurende ongeveer een week elke dag een stukje aan haar brief. Elk nieuw stukje begint zij met ‘adi’ (van het Latijnse ad diem), gevolgd door de datum van die dag. In totaal hebben we zo’n veertien brieven van haar uit deze periode.

Lees verder “Moeders journael”

Een klavecimbel van Constantijn Huygens

Antwerpen stond in 2018 in het teken van de Barok. In dit verband richtte Timothy de Paepe in zijn Museum Vleeshuis|Klank van de Stad en in het Snijders&Rockoxhuis exposities in rond de Antwerpse familie Duarte. 

De Paepe was ook de drijvende kracht achter een zeer fraai en bijzonder informatief boek: Antwerpen Klavecimbelstad. Met deze publicatie brengen conservator De Paepe en tal van andere deskundigen de grote reputatie van de Antwerpse klavecimbelbouwers uit de zestiende en zeventiende eeuw onder de aandacht van een groot publiek. Een bijdrage door De Paepe over de bouw van klavecimbels en virginalen, de familie Ruckers/Couchet, de collectie in Museum Het

Vleeshuis opent de bundel. Daarna volgen bijdragen over de gouden eeuw van Antwerpen (Guido Marnef), klavecimbels en de Zuid-Nederlandse schilderkunst (Hannelore Magnus), dekselbeschilderingen en hun conservatie (Katharine Waldron & Zoe Mercer-Golden), het nabouwen van historische instrumenten (Stijn Dekoninck) en de sensatie om op een authentiek instrument te spelen door Korneel Bernolet. Een beschrijving van de instrumenten uit de collectie van Het Vleeshuis besluit de bundel. Niet alleen door de genoemde bijdragen is dit boek zeer de moeite waard, de fascinerende foto’s door Bart Huysmans en Michel Wuyts van de instrumenten en vooral de details ervan als toetsen, dokken snaren, klankbodems, rozetten en dekselbeschilderingen maken deze publicatie zeer begerenswaardig.

Constantijn Huygens

Constantijn Huygens was bevriend met de familie Duarte. Bij Johannes Couchet (1615-1655) die in bovengenoemde publicatie ruim aan bod komt, bestelde Huygens via Gaspar Duarte (1584-1653) in 1648 een klavecimbel.  Het werd in de zomer van 1648 afgeleverd bij Huygens. De begeleidende brief van Couchet is bewaard gebleven en maakt deel uit van de handschriftencollectie van de Leidse Universiteitsbibliotheek. Recentelijk is een scan van deze brief toegevoegd aan Huygens Briefwisseling Online.

Ook de brieven van Duarte aan Huygens rond de aanschaf van dit klavecimbel worden in de UB Leiden bewaard. Ook zij zijn te raadplegen via Huygens Briefwisseling Online:  

http://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens/brief/nr/4772 http://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens/brief/nr/4812 http://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens/brief/nr/4843 http://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens/brief/nr/4849

Uit deze brieven[1] valt op te maken wat voor een instrument Huygens in de zomer van 1648 in huis kreeg. In zijn brief van 5 maart 1648 beveelt Duarte Couchet aan bij Huygens. Couchet heeft zestien jaar bij zijn oom Joannes Ruckers gewerkt, maar is veel leergieriger en durft te experimenteren. Vervolgens bespreek Duarte een groot klavecimbel van acht voet (ca. 2,2 meter). Hij legt voorts uit dat de koortoon (de toon waarop gezongen wordt, doorgaans één toon hoger dan waarop instrumenten gestemd zijn) met drie registers gespeeld kan worden, drie verschillende snaren. Ook is de aanslag van een dergelijk instrument net zo licht als bij een klein klavecimbel doordat de snaren dun en lang zijn. Dergelijke instrumenten kosten 300 gulden.

In zijn brief van 3 mei 1648 komt Duarte nog terug op de toonhoogte. Huygens’ wens om het instrument twee tonen lager gestemd te krijgen dan dat van zijn vriendin Utricia Ogle is onmogelijk. De gebruikelijke stemming in de koortoon kan wel. Het instrument staat dan een toon lager gestemd dan dat van mevrouw Ogle. Duarte heeft zelf vier of vijf instrumenten in die stemming. Op 19 juli 1648 laat Duarte weten dat het instrument bijna klaar is. Hij gaat ervanuit dat Huygens het deksel, de klankbodem en het gedeelte boven het klavier blank gelaten wil hebben om het naar zijn eigen smaak te kunnen laten beschilderen. De rand van het gehele stuk en de dokkenlijst worden verguld.

De 30ste juli laat Duarte weten dat het klavecimbel klaar is ‘seer soet ende liefelyck van harmonie’. Het ‘wort van alle liefhebbers seer gepresen’. ‘Monsieur Couchet heeft syn uytterste debvoir daerinne gedaen, principalyck het clauwier seer soet voor twee groote snaeren’. Duarte zegt Huygens dat Couchet er 2 Vlaamse ponden meer voor vraagt dan hij met hem had afgesproken. In plaats van 28 kost het Huygens 30 Vlaamse ponden (= 180 guldens, nu ca. € 1850). 

Niet lang hierna moet Couchet zijn ongedateerde brief aan Huygens hebben geschreven.

Couchet is trots op zijn instrument, het eerste dat hij van dit type heeft gemaakt. Zelfs als Huygens er ‘100 patacons’ (dat is omgerekend 240 gulden, € 2470) voor zou geven, zou hij nog niet teveel betalen. Couchet wijst hem er nog op dat Huygens’ vriend Pieter Pater  die het instrument zal stemmen dat op de juiste toon moet doen. Huygens heeft daarvoor een fluitje dat bedoeld is om G te stemmen. Voorts hoort hij graag of het instrument bevalt en beveelt hij zich aan om voor een andere liefhebber nog zo’n instrument te maken.

Lees verder “Een klavecimbel van Constantijn Huygens”