Een klavecimbel van Constantijn Huygens

Antwerpen stond in 2018 in het teken van de Barok. In dit verband richtte Timothy de Paepe in zijn Museum Vleeshuis|Klank van de Stad en in het Snijders&Rockoxhuis exposities in rond de Antwerpse familie Duarte. 

De Paepe was ook de drijvende kracht achter een zeer fraai en bijzonder informatief boek: Antwerpen Klavecimbelstad. Met deze publicatie brengen conservator De Paepe en tal van andere deskundigen de grote reputatie van de Antwerpse klavecimbelbouwers uit de zestiende en zeventiende eeuw onder de aandacht van een groot publiek. Een bijdrage door De Paepe over de bouw van klavecimbels en virginalen, de familie Ruckers/Couchet, de collectie in Museum Het

Vleeshuis opent de bundel. Daarna volgen bijdragen over de gouden eeuw van Antwerpen (Guido Marnef), klavecimbels en de Zuid-Nederlandse schilderkunst (Hannelore Magnus), dekselbeschilderingen en hun conservatie (Katharine Waldron & Zoe Mercer-Golden), het nabouwen van historische instrumenten (Stijn Dekoninck) en de sensatie om op een authentiek instrument te spelen door Korneel Bernolet. Een beschrijving van de instrumenten uit de collectie van Het Vleeshuis besluit de bundel. Niet alleen door de genoemde bijdragen is dit boek zeer de moeite waard, de fascinerende foto’s door Bart Huysmans en Michel Wuyts van de instrumenten en vooral de details ervan als toetsen, dokken snaren, klankbodems, rozetten en dekselbeschilderingen maken deze publicatie zeer begerenswaardig.

Constantijn Huygens

Constantijn Huygens was bevriend met de familie Duarte. Bij Johannes Couchet (1615-1655) die in bovengenoemde publicatie ruim aan bod komt, bestelde Huygens via Gaspar Duarte (1584-1653) in 1648 een klavecimbel.  Het werd in de zomer van 1648 afgeleverd bij Huygens. De begeleidende brief van Couchet is bewaard gebleven en maakt deel uit van de handschriftencollectie van de Leidse Universiteitsbibliotheek. Recentelijk is een scan van deze brief toegevoegd aan Huygens Briefwisseling Online.

Ook de brieven van Duarte aan Huygens rond de aanschaf van dit klavecimbel worden in de UB Leiden bewaard. Ook zij zijn te raadplegen via Huygens Briefwisseling Online:  

http://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens/brief/nr/4772 http://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens/brief/nr/4812 http://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens/brief/nr/4843 http://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens/brief/nr/4849

Uit deze brieven[1] valt op te maken wat voor een instrument Huygens in de zomer van 1648 in huis kreeg. In zijn brief van 5 maart 1648 beveelt Duarte Couchet aan bij Huygens. Couchet heeft zestien jaar bij zijn oom Joannes Ruckers gewerkt, maar is veel leergieriger en durft te experimenteren. Vervolgens bespreek Duarte een groot klavecimbel van acht voet (ca. 2,2 meter). Hij legt voorts uit dat de koortoon (de toon waarop gezongen wordt, doorgaans één toon hoger dan waarop instrumenten gestemd zijn) met drie registers gespeeld kan worden, drie verschillende snaren. Ook is de aanslag van een dergelijk instrument net zo licht als bij een klein klavecimbel doordat de snaren dun en lang zijn. Dergelijke instrumenten kosten 300 gulden.

In zijn brief van 3 mei 1648 komt Duarte nog terug op de toonhoogte. Huygens’ wens om het instrument twee tonen lager gestemd te krijgen dan dat van zijn vriendin Utricia Ogle is onmogelijk. De gebruikelijke stemming in de koortoon kan wel. Het instrument staat dan een toon lager gestemd dan dat van mevrouw Ogle. Duarte heeft zelf vier of vijf instrumenten in die stemming. Op 19 juli 1648 laat Duarte weten dat het instrument bijna klaar is. Hij gaat ervanuit dat Huygens het deksel, de klankbodem en het gedeelte boven het klavier blank gelaten wil hebben om het naar zijn eigen smaak te kunnen laten beschilderen. De rand van het gehele stuk en de dokkenlijst worden verguld.

De 30ste juli laat Duarte weten dat het klavecimbel klaar is ‘seer soet ende liefelyck van harmonie’. Het ‘wort van alle liefhebbers seer gepresen’. ‘Monsieur Couchet heeft syn uytterste debvoir daerinne gedaen, principalyck het clauwier seer soet voor twee groote snaeren’. Duarte zegt Huygens dat Couchet er 2 Vlaamse ponden meer voor vraagt dan hij met hem had afgesproken. In plaats van 28 kost het Huygens 30 Vlaamse ponden (= 180 guldens, nu ca. € 1850). 

Niet lang hierna moet Couchet zijn ongedateerde brief aan Huygens hebben geschreven.

Couchet is trots op zijn instrument, het eerste dat hij van dit type heeft gemaakt. Zelfs als Huygens er ‘100 patacons’ (dat is omgerekend 240 gulden, € 2470) voor zou geven, zou hij nog niet teveel betalen. Couchet wijst hem er nog op dat Huygens’ vriend Pieter Pater  die het instrument zal stemmen dat op de juiste toon moet doen. Huygens heeft daarvoor een fluitje dat bedoeld is om G te stemmen. Voorts hoort hij graag of het instrument bevalt en beveelt hij zich aan om voor een andere liefhebber nog zo’n instrument te maken.

Grafschrift

Huygens was zeer content met zijn instrument. Dit blijkt onder andere uit een passage uit een brief van hem aan Henri Dumont (ca.1610-1684), organist aan de Église Saint Paul te Parijs van 6 april 1655:

[J] ‘apprens par lettres d’Anvers que le célèbre Couchet vient d’y trespasser, qui est une perte insigne aux amateus curieux de bonnes espinettes. Je suis bien ayse d’en avoir une des dernières de sa façon, à deux claviers, comme estoit celle de Monsieur de Chambonière, qui est très-excellente et telle que je ne croy pas que personne en fasse après ce pauvre Couchet, qui je regret extrèmement. 

(ik verneem per brief uit Antwerpen dat de beroemde [Johannes] Couchet daar onlangs is overleden, hetgeen een bijzonder verlies is voor alle liefhebbers van goede klavecimbels. Ikzelf ben de gelukkige bezitter van een van de laatste die hij gemaakt heeft, met twee klavieren, zoals dat van de Heer de Chambonnières, een uitstekend exemplaar, zodanig van kwaliteit dat ik niet denk dat iemand dit de arme Couchet zal nadoen, hetgeen ik zeer betreur.)[2]

Twee dagen later, op 8 april, maakt Huygens het volgende grafschrift voor Couchet[3]:

Grafdicht

In dese kromme kist rust Ian Couchet; met reden:

Sij beeldt syn ambacht uijt en past nett op syn’ leden;

De korst na de Pasteij. Dan, leser, weet daer bij,

Hy ligt niet op syn’ rugg, maer op syn’ slincke zij.

Huygenskenners als De Kruyter en Strengholt hebben over dit puntdichtje gepubliceerd.[4] Volgens Strengholt heeft De Kruyter het tekeningetje niet bij de tekst betrokken en het dus niet begrepen. Couchet had een bochel. De kist waarin hij is begraven is een klavecimbel en dat is toepasselijk. Het beeldt het ambacht van Couchet uit én past bovendien op zijn leden. Hier past de korst dus precies om de pastei. 

O’Brien[5] beschouwt het tekeningetje als een door Huygens vervaardigd schetsje van zijn door Couchet gebouwd klavecimbel. Het originele instrument is hoogstwaarschijnlijk niet bewaard gebleven. Alleen de hier besproken brieven en Huygens’ grafschrift met tekening herinneren nog aan het ‘très-éxcellente’ instrument van de begaafde Antwerpse klavecimbelbouwer Joannes Couchet. 

Ad Leerintveld, 31 juli 2018


[1] Zie voor deze brieven vooral: Driehonderd brieven over muziek van, aan en rond Constantijn Huygens. Bijeengebracht, ingeleid en vertaald door Rudolf Rasch. Hilversum, Verloren 2007, de nummers 4772, 4812, 4843, 4849 (Duarte) en 4851 (Couchet). Ze zijn met een Engelse vertaling ook opgenomen in: Grant O’Brien, Ruckers. A harpsichord and virginal building tradition. Cambridge 1990, Appendix 17 (Correspondence between G.F. Duarte and Constantijn Huygens) and appendix 18 (Letter from Ioannes Couchet to Constantijn Huygens).

[2] Citaat en vertaling naar de uitgave door Rasch,(vorige noot), brief 5399.

[3] Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, KA 40c, 1655, fol. 8a; Zie ook O’Brien (a.w. noot 1), p. 307-308 voor een vertaling in het Engels.

[4] De Kruyter: https://www.dbnl.org/tekst/_spi007196801_01/_spi007196801_01_0018.php#18 Strengholt: https://dbnl.org/tekst/_tij003198101_01/_tij003198101_01_0016.php

[5] A.w. (noot 1), Appendix 19, (Obituary poem by Constantijn Huygens on the death of Ioannes Couchet).