De briefwisseling van Constantijn Huygens: schrijvende zussen

Susanna Hoefnagel (1561-1633), de moeder van Constantijn, huwt in 1592 met de tien jaar oudere Christiaan Huygens sr. (1551-1624). Ze wonen in Den Haag, waar Christiaan secretaris is van de Raad van State. Uit hun huwelijk komen zes kinderen voort, twee jongens, Constantijn en zijn broer Maurits (1595-1642) en vier meisjes, Elisabeth (1598-1612), Geertruyd (1599-1680), Catharina (1601-1618) en Constantia (1602-1667). De twee jongens worden al van jongs af aan onderricht in schrijven en verschillende talen, waar hun vader kosten noch moeite voor bespaart. In zijn autobiografische Mijn jeugd (1629-1631) beschrijft Constantijn dat ze in 1603 (hij is dan zeven) beginnen met ‘de schrijfkunst en het Frans’.[2] Ook leren ze op jonge leeftijd Latijn en Grieks.[3] In 1618 leert Constantijn tenslotte nog Engels, tijdens zijn bezoek van drie maanden aan Engeland.[4] Bij de zusjes blijven de kosten en moeite voor onderwijs enigszins achter. Zij leren wel Frans, maar geen andere talen, en krijgen beduidend minder onderricht.[5]

Portret van Geertruid Huygens uit 1629, door Michiel Jansz van Mierevelt. Frans Hals Museum. Van Constantia Huygens is geen portret bekend.

Leelik schryven

Van zowel Geertruyd als Constantia zijn slechts drie brieven bewaard gebleven, alle zes geschreven in het Nederlands. Ook zijn ze alle zes afkomstig uit 1622, het jaar waarin Constantijn gedurende langere tijd Engeland bezocht. Uit de brieven blijkt dat de twee zussen zich ervan bewust waren dat hun taalgebruik was achtergebleven bij dat van hun broers. Constantia schrijft bijvoorbeeld (waarschijnlijk eind februari of begin maart) aan Constantijn: ‘Dessen brief moet je vermake overmits het blinkende sant, want me dunckt, dat daer alle dingen onder schuylle kan, als leelik schryven, qualick spellen en sulke dingen meer. Geertruyd en ik leggen hier morssen met het sant, dat de tafel blinckt, dat m’er geen oog op houwe kan.’[6] Het zand dat Constantia beschrijft werd gebruikt om de inkt te laten drogen, maar ze grapt dat het wellicht ook haar slechte schrijfstijl kan verbergen. In een andere brief, ontvangen door Constantijn op 2 mei, schrijft Constantia ‘Ick bid je, vergeeft me men leellick schrift; tis door de grootte haest’.[7] Mieke Smits-Veldt schrijft over de brieven van Constantia en Geertruyd dat zij ‘waarschijnlijk een vrijwel directe weergave van de spreektaal in Den Haag uit de vroege jaren twintig’ zijn.[8]

Laat iets horen

De zes brieven van Geertruyd en Constantia die zijn overgeleverd, zijn ongetwijfeld niet de enige die zij aan hun broer geschreven hebben. De kans is groot dat niet alles is overgeleverd. Toch blijkt uit Constantijns eigen brieven dat zij wat hem betreft niet vaak genoeg schrijven. Zo klaagt Constantijn op 13 april 1622 bij zijn ouders ‘Mijne zusters konden wel eens iets van zich laten hooren, vooral Constanciken.’[9] Zoals gezegd bevindt Constantijn zich op dat moment in Engeland voor een periode van dertien à veertien maanden.[10] Nu is het niet de eerste keer dat hij in Engeland is, ook in 1618 en begin 1621 is hij er al geweest. Maar bij zijn eerdere bezoeken komt hij na zo’n drie maanden alweer terug naar huis.[11] Dit keer duurt het verblijf een stuk langer, en wellicht vreest hij dat ze hem zullen vergeten. Zo klaagt hij in verschillende brieven aan zijn ouders – in juni, juli en augustus – dat hij maar geen post krijgt: ‘Ik krijg maar geene brieven. In het laatste pakket […] zat voor iedereen een brief, behalve voor mij’.[12]

Fragment brief Constantia Huygens aan Constantijn Huygens, 15 oktober 1622: ‘Ik weet niet wat men overgaet dat ik u in soo lange niet geschreven heb maer nochtans niet doot gelijck u meent’.

Nochtans niet doot, gelijck u meent

Constantijns klaagzang is misschien voor een deel wel terecht. Uit de paar brieven die we nog hebben, blijkt dat zijn twee zussen zich duidelijk schuldig voelen dat ze hem zo weinig schrijven. Zo stuurt Constantia hem in oktober: ‘Ick weet niet wat men overgaet, dat ick u in soo lange niet geschreven heb, maer nochtans niet doot, gelijck u meent’.[13] Echter, in maart schrijft ze hem al een vergelijkbare verontschuldiging en beweert ze dat Constantijn toch niet op haar brieven zit te wachten: ‘Mon frère, ick weet geen excusen te doen, die je voor goet sout willen aennemen, dan dat ick me niet kost laete voorstaen, dat mijn briven je eennich vermaeck aen koste doen.’[14] Ook Geertruyd voelt zich in maart al schuldig over het gebrek aan post: ‘Nou ist soo lang gelede dat je van hier vertrocken bent, en ick noch Constancike en hebbe niet eens geschreve’.[15] Maar ook zij lijkt niet overtuigd dat Constantijn iets van haar wil horen, want ik september schrijft ze: ‘Ick weet niet, of j’et meent of niet dat je van onse brieve begeert; ick weet niet, wat j’er me doen wilt, daer je van al de warelt soo beschreve wort’.[16] Constantia en Geertruyd vinden dat Constantijn al door zo veel mensen aangeschreven wordt, dat zij hem niets nieuws kunnen vertellen. En zijn klagende brieven lijken daar niets aan te veranderen.

Roosje Peeters, 2 augustus 2017

[1] De briefwisseling van Constantijn Huygens 1607-1687. [gedigitaliseerd: http://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens].

[2] Constantijn Huygens, Mijn jeugd, Chr. Heesakkers ed. (Amsterdam 1987) 27-29.

[3] Constantijn Huygens, Mijn jeugd, Chr. Heesakkers ed. (Amsterdam 1987) 33, 44.

[4] Constantijn Huygens, Mijn leven verteld aan mijn kinderen, F.R.E. Blom ed., 2 delen (Amsterdam 2003) 87.

[5] E.E. Keesing, Het volk met de lange rokken. Vrouwen rondom Constantijn Huygens (Amsterdam 1987) 16, 24.

[6] Constantia Huygens aan Constantijn Huygens, 2 maart 1622 [http://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens/brief/nr/134].

[7] Geertruyd Huygens aan Constantijn Huygens, 25* april 1622 [http://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens/brief/nr/146].

[8] M.B. Smits-Veldt, In een web van vriendschap (Amsterdam 1999) 88.

[9] Nederlands citaat geparafraseerd door J.A. Worp. Origineel citaat van Constantijn Huygens: ‘Mes soeurs sont peu soigneuses de leur intélligences, du moins Constanciken, il ne leur pourroit rien nuire de s’exercer, ou ils le peuvent sans rougir.’ Constantijn Huygens aan Christiaan Huygens sr. en Susanna Hoefnagel, 13 april 1622 [http://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens/brief/nr/143].

[10] Constantijn Huygens, Mijn leven verteld aan mijn kinderen, F.R.E. Blom ed., 2 delen (Amsterdam 2003) 117-121.

[11] Constantijn Huygens, Mijn leven verteld aan mijn kinderen, F.R.E. Blom ed., 2 delen (Amsterdam 2003) 87, 117.

[12] Nederlands citaat geparafraseerd door J.A. Worp. Origineel citaat van Constantijn Huygens: ‘Je n’entends plus que c’est qu’on entend par cette trop longue intermission de lettres: voyci un mois que je n’en ay veu aucune s’il n’y a du mal entendu en l’adresse, on guer donne mal ma diligence, qui ne cesse d’entasser pacquet sur pacquet. Le messageur Anglois du s[ieu]r Carleton me voulut faire croire la sepmaine passée que dans le pacquet du s[ieu]r de Somelsd[ijck] il y en avoit un pour moy selon ce que mon père et ma mère mesmes luy avoyent dit, mais rien moins: toute la maison se voyoit fournie de lettres, moy seul excepté’. Constantijn Huygens aan Christiaan Huygens sr. en Susanna Hoefnagel, 3 juli 1622 [http://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens/brief/nr/160]. Zie ook: Constantijn Huygens aan Christiaan Huygens sr. en Susanna Hoefnagel, 28 juni 1622 [http://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens/brief/nr/159]; Constantijn Huygens aan Christiaan Huygens sr. en Susanna Hoefnagel, 10 augustus 1622 [http://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens/brief/nr/169].

[13] Constantia Huygens aan Constantijn Huygens, 15* oktober 1622 [http://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens/brief/nr/188].

[14] Constantia Huygens aan Constantijn Huygens, 2 maart 1622 [http://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens/brief/nr/134].

[15] Geertruyd Huygens aan Constantijn Huygens, 2* maart 1622 [http://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens/brief/nr/133].

[16] Geertruyd Huygens aan Constantijn Huygens, 7* september 1622 [http://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens/brief/nr/174].